NAMENLIJST UNIFILLERS
CHECKPOINT
VREDESMACHT IN LIBANON
FOTOGALLERIJ
WOORDENLIJST
INCIDENTENLIJST
HISTORIE
KNIPSELKRANT
DOWNLOADS
GASTENBOEK
CREDITS
 
UNIFIL FILMS
UNIFIL LINKS
UNIFIL FORUM
 
Veteraneninstituut Veteraneninstituut Veteraneninstituut

 

 
SiteMap Mail Ons Ga naar de StartPagina

Dutchbatt aan zet  

Takenpakket

Daarmee zijn we bij de belangrijkste taak van Dutchbatt beland. Het moest voorkomen dat de strijdende partijen zijn gebied voor oorlogshandelingen - in de breedste zin van het woord - zouden gebruiken. Daaronder vielen niet alleen de infiltratiepogingen van de armed elements, die het gebied van noord naar zuid probeerden te doorkruisen, maar ook acties van de DFF en iDF, die in omgekeerde richting opereerden. Deze taak was zowel een doel op zich als een middel om een groter doel te dienen, namelijk het leveren van een bijdrage aan het verkleinen van de kans op het uitbreken van een regionaal conflict. Het was immers de constante stroom Palestijnse aanvallen tegen Noord-Isral geweest die de regering in Jeruzalem aanleiding had gegeven tot het op poten zetten van de DFF en tot de inval van maart 1978. Hoewel de blauwhelmen doorgaans hun best deden de infiltraties tegen te gaan, waren de UNIFIL-procedures op dit punt opvallend mild. De vredesmacht had uit onmacht verzuimd vanaf het begin een vuist tegen de strijdende partijen te maken en de effecten daarvan werkten tot in lengte van jaren door. Infiltranten die door UNIFIL werden onderschept, mochten vrijwel onmiddellijk -zij het zonder wapen- naar hun thuisbasis terugkeren. Sterker nog, zij werden daar met UNIFIL-voertuigen naartoe gebracht. De volgende dag of nacht konden zij een nieuwe poging wagen, zoals Dutchbatt met enige regelmaat constateerde. Op 4 juli 1981 bijvoorbeeld, pakten Nederlandse militairen bij Buyout as-Sayyid zeven PLO-infiltranten op, van wie er drie, zoals UNIFIL rapporteerde, old timers frequently apprehended by Dutchbatt, waren. De meegevoerde wapens, munitie en explosieven werden in beslag genomen en enkele dagen later door de zorg van UNIFIL en de Observer Group Lebanon(OGL) van UNTSO weer keurig terugbezorgd. Deze procedure was in de begindagen van UNIFIL ingesteld om problemen met de PLO te voorkomen. Pogingen van de vredesmacht om haar aan te scherpen, bijvoorbeeld door alleen de wapens terug te geven en de munitie en explosievente vernietigen, stuitten op zoveel verzet van de armed elements dat er niets van terechtkwam. De partijen erkenden in theorie het recht van UNIFIL om infiltraties tegen te gaan, in de praktijk evenwel wensten zij zo min mogelijk te worden dwarsgezeten. Daaraan kon ook Dutchbatt niets veranderen. Het was daarom niet verwonderlijk dat infiltraties in het UNIFiL-gebied vaak als trainingsmissies dienden om PLO-rekruten voor het `echte werk' klaar te stomen Het zwaartepunt van het Dutchbatt-optreden lag in de avond en nacht, wanneer het risico van infiltraties het grootst was. Omdat het terrein erg onoverzichtelijk en ontoegankelijk was, zag het bataljon zich iedere nacht genoodzaakt een fijnmazig net van gunstig gelegen waarnemingsposten te bemannen, terwijl het tevens een groot aantal patrouilles te voet moest uitzenden. Overdag moesten andere taken worden uitgevoerd, waarvan de controle op het verkeer bij de roadblocks de belangrijkste was. Het Nederlandse bataljon nam in maart 1979 het omvangrijke patrouilleschema van de Fransen in zijn geheel over, maar deze aanpak bleek al snel voor verbetering vatbaar. De patrouilles, die soms wel een week konden duren, waren arbeidsintensief en fysiek zwaar, terwijl ze weinig resultaat opleverden. De militairen maakten tijdens het lopen namelijk zoveel geluid, dat eventuele infiltranten hun aanwezigheid tijdig opmerkten en hen met gemak konden ontwijken. Dutchbatt schrapte daarom de meerdaagse patrouilles en breidde het netwerk van posten uit. De gaten tussen de posten werden door nachtelijke patrouilles opgevuld, die op enkele plaatsen langs de route een voorbereide waarnemingspost of een geïmproviseerde luisterpost betrokken om daar in stilte op de loer te gaan liggen. Door deze manier van werken slaagde Dutchbatt erin meer infiltranten te onderscheppen. De uitbreiding van het aantal posten hield wel in dat het bataljon over nog meer locaties werd verspreid. Dutchbatt bracht tevens meer variatie aan in de ligging van de waarnemingsposten. Een deel van de nieuwe OP's(observation posts )werd niet op een hooggelegen locatie met goede waarnemings- en communicatiemogelijhheden gesitueerd, maar juist in de diepte van een wadi, waar de kansrijkste infiltratieroutes lagen. In de wadi an-Naflchah bijvoorbeeld kwamen twee posten te liggen,7-7A en 7-20B. Ook dit kwam het optreden van Dutchbatt ten goede, maar tegen een prijs: de laaggelegen posten waren kwetsbaarder voor beschietingen en overrompelingen. Zo werd post 7-7A op 21 oktober 1981 overvallen door vijf Palestijnse strijders, die op de terugweg naar de Tyre Pocket waren. Na een half uur trokken ze verder, met medeneming van de munitie van de Nederlandse militairen en het spraakmembraan van hun radio, zodat andere UNIFIL-posten niet konden worden gewaarschuwd. Het bataljon beschikte over verschillende hulpmiddelen om het terrein bij duisternis zo goed mogelijk te bewaken. Patrouilles konden lichtkogels afschieten om hun onmiddellijke omgeving te verlichten, terwijl de zware mortieren van de Paostcie over een groter gebied `lichtsteun' gaven. In de loop van 1980 verstrekte de Landmachtstaf nog dertig oude 2 inch mortieren, die over de posten werden verdeeld. Hiermee konden eveneens lichtgranaten worden afgevuurd, zij het dat het bereik van dit inzetmiddel geringer was dan dat van de 120 mm mortier. De nachtelijke waarnemingscapaciteit van Dutchbatt bestond verder uit zoeklichten, nachtkijkers en radarapparatuur. Vooral dit laatste sloeg de apparatuur wel eens loos alarm. Gevechtsveldbewakingsradars behoorden tot de standaarduitrusting van 44 Painfbat en in de loop van 1979 kwamen daar nog de door UNIFIL beschikbaar gestelde radars bij. Van tijd tot tijd vermoedde Dutchbatt dat de IDF of de PLO deze apparatuur stoorde, maar dit viel niet te bewijzen. Om zo effectief mogelijk te kunnen optreden, stelde Dutchbatt, op voorstel van het dorpshoofd (de mukhtar van Haris, een avondklok (de zogeheten curfew in, hetgeen later in de Standing Operating Procedures van UNIFIL werd opgenomen. Het voordeel was dat eventuele infiltranten zo eenvoudiger waren op te sporen. Van negen uur 's avonds tot vier uur 's morgens waren de roadblocks al het verkeer, met uitzondering van ziekenvervoer, verboden. Voetgangers mochten zich na tien uur 's avonds niet meer op straat bevinden. Dat de maatregel bij de lokale bevolking niet populair was, laat zich raden. Op bijzondere dagen, zoals tijdens de Ramadan, werd de avondklok overigens versoepeld. Buiten de uren van de avondklok kon UNIFIL het operatiegebied echter niet afsluiten, vooral omdat zij de lokale bevolking het leven niet onmogelijk wilde maken. Ook kon zij bewoners van de DFF-enclave niet zomaar de toegang tot het operatiegebied ontzeggen. enigszins werkzame taakuitvoering te komen, had force commander Erskine bepaald dat het operatiegebied overdag voor alle Libanese burgers toegankelijk was, mits zij zich konden identificeren. Geuniformeerde of gewapende personen werden geweigerd, met uitzondering van een klein aantal liaison-officieren van de armed elements. Daarmee deed UNIFIL een concessie aan de PLO, die zich op het Akkoord van Caïro beriep. Om op de handhaving van de regels toe te zien, zette UNIFIL op de voornaamste doorgaande wegen op. Het personeel hiervan vroeg voorbijgangers, vaak steekproefsgewijs, om een identiteitsbewijs -tazkarah in het Arabisch -, en voertuigen onder meer op wapens en explosieven onderzocht. Het werk aan de roadblocks was riskant, omdat de gemoederen hoog konden oplopen. Soms betrof het locals die zich aan de strikte controles of de soms lange wachttijden ergerden, dan weer PLO-strijders of DFF'ers die waren betrapt bij een poging het UNIFIL-gebied binnen te dringen en zich lang niet altijd zo maar gewonnen gaven. Omdat het fouilleren van vrouwen en religieuze leiders gevoelig lag, schafte de vredesmacht in 1980 scannerapparatuur aan die onder de kleding verborgen wapens of munitie kon detecteren. Om de pakkans bij de roadblocks verder te verhogen, voerde UNIFIL spiegels in waarmee onder auto's kon worden gekeken. Ter vergroting van het verrassingseffect maakte de vredesmacht ook gebruik van mobiele of tijdelijke roadblocks zoals 7-9A en 7-12B aan de rand van de IJzeren Driehoek. Hoewel voortdurend op een correcte uitvoering van de controles hamerde, werd regelmatig tegen de geldende procedures gezondigd, door de Nederlandse blauwhelmen naar het schijnt minder dan door sommige andere bataljons. Desondanks kwam het ook bij Dutchbatt voor dat het roadblock-personeel zich liet verrassen door de inzittenden van een auto die met wapengeweld een doorgang forceerden of de post enige tijd bezet hielden. Daartegenover stond een lange lijst met successen, waarvan de wapenvondsten in geheime compartimenten van auto's het meest tot de verbeelding spraken. In een enkel geval deed Dutchbatt een grote vangst, zoals op 6 september 1980 aan het roadblock van post 7-18. een Peugeot 504 vonden militairen van de Charlie-compagnie maar liefst twee pistolen, drie handgranaten, een staaf dynamiet, twee antitankmijnen, drie Kalashnikovs, twee bajonetten, twee blokken springstof en de nodige magazijnen munitie. De vier inzittenden, gekleed in burger, bleken leden van een militante PLO-factie te zijn. Ook buiten de roadblocks om zag UNIFIL toe op een strikte naleving van het verbod op het dragen van wapens en uniformen. Voor Dutchbatt speelde dit vooral in de dorpen die aan de IJzeren Driehoek grensden, zoals in as-Siddiqin. De Paostcie moest regelmatig optreden om Palestijnse of links-Libanese strijders uit die plaats te weren. Het was voor UNIFIL-militairen vaak moeilijk de leden van de strijdende partijen en hun sympathisanten van de non-combattante burgers te onderscheiden. Het contact met de locals was mede daardoor verre van eenvoudig. Het kwam bijvoorbeeld maar zelden voor dat Dutchbatt vanuit de lokale bevolking informatie over infiltraties van de armed elements kreeg. Het winnen van haar vertrouwen was een langzaam proces, dat door één incident grote schade kon oplopen. De zogeheten sociale patrouilles, die de bemanningen van de meeste posten overdag door de dorpen liepen, waren vooral bedoeld om de band tussen Dutchbatt en de lokale bevolking te versterken.Daarbij hoorde het onvermijdelijke theedrinken met de dorpsbewoners, naar het Arabische woord voor thee 'sjajen' genoemd. Van dorp tot dorp liepen de interne verhoudingen zeer uiteen, ook al was de bevolking in het Dutchbatt-gebied (anders dan in de andere bataljonsvakken) in overgrote meerderheid sjiietisch. In Ya'tar, bijvoorbeeld, streden twee families om de macht, waarvan de ene met de PLO sympathiseerde, terwijl de andere op de hand van Amal was. Een ander deel van de lokale bevolking had weer een voorkeur voor de DFF. Het was voor het bataljon van groot belang dat de Ops-kern een goed inzicht had in de plaatselijke verhoudingen en de veranderingen daarin. Mede dankzij de tolken slaagde deze daar goed in. De situatie in het UNIFIL-gebied was vaak zo gespannen, dat een schijnbaar onbetekenend voorval op ieder moment, op iedere plaats en bij elk van de betrokken partijen tot een geweldsuitbarsting kon leiden. Dit gevaar van escalatie bestond vooral bij het aanhouden van infiltranten of bij het controleren van voertuigen bij een roadblock. Daarom hielden de compagnieën een zekere reservecapaciteit achter de hand in de vorm van stand-by groepen. Voor deze taak waren de YP's bij uitstek geschikt, omdat ze over de vereiste mobiliteit, bescherming en vuurkracht beschikten. Meestal was het verschijnen van een of meer van deze pantservoertuigen voldoende om een opstootje in de kiem te smoren. Terwijl Dutchbatt vrijwel altijd zijn eigen boontjes kon doppen, hadden de meeste andere bataljons in crisisomstandigheden behoefte aan versterking, vooral met pantservoertuigen en zware wapens. Een zwak punt van UNIFIL was aanvankelijk dat het niet over de middelen voor het vormen van een snel inzetbare reserve beschikte, maar de komst van de Nederlanders bracht daarin verandering. De vorming van een Force Mobile Reserve (FMR, ook wel Force Main Reserve) werd nu mogelijk. In de loop van 1979 en 1980 kregen de procedures voor het - in noodgevallen - oproepen daarvan vaste vorm. In de regel stelde Dutchbatt een pantserinfanteriepeloton en eventuele mortier- en antitankcapaciteit aan de FMR beschikbaar, terwijl het meestal ook de commandant leverde. De Nederlandse inbreng vormde de ruggengraat van deze eenheid, die door met pantservoertuigen uitgeruste pelotons van de andere bataljons verder werd aangevuld. Omdat Dutchbatt geen aparte eenheid voor deze taak achter de hand had, tastte langdurige inzet in verband de eigen taakuitvoering aan. Het eerste, succesvolle optreden van de UNIFIL-reserve vond in mei 1979 plaats bij het stadje Shaqra in het Ierse bataljonsvak. Het Nederlandse bataljon was door zijn uitrusting bij uitstek geschikt om een potentiële `tegenstander' te imponeren. Het zou echter onjuist zijn het als zodanig te karakteriseren. Kenmerkend voor Dutchbatt en in feite geheel UNIFIL, zo niet alle klassieke VN-vredesoperaties, was juist om het dreigen met en het gebruik van geweld te voorkomen door soms eindeloos te onderhandelen. Niet voor niets stond in de functie-omschrijving voor de `Hops' (hoofd operatiën, S3) van Dutchbatt Eindeloos geduld op kunnen brengen tijdens onderhandelingen met Arabieren. Ook Dutchbatt hadden hier een dag- en dikwijls eveneens een nachttaak aan. Ter ondersteuning kon het bataljon een beroep doen op officieren van de staf in Naqoura of op de OGL-teams van UNTSO, terwijl ook (liaison)officieren van de strijdende partijen bij de onderhandelingen behulpzaam konden zijn. Bij ernstige conflicten schakelde UNIFIL het VN-hoofdkwartier in New York in om diplomatieke druk op Israël of de PLO uit te oefenen. Hierbij bewezen de connecties van de troepenleverende landen, zoals de goede betrekkingen tussen Nederland en Israël, soms hun nut.


  Bron: "Vredesmacht in Libanon" De Nederlandse deelname aan UNIFIL 1979-1985

Ben Schoenmaker, Herman Roozenbeek(redactie), Uitgeverij BOOM
Nederlands Instituut voor Militaire Historie

 
Veteraneninstituut