NAMENLIJST UNIFILLERS
CHECKPOINT
VREDESMACHT IN LIBANON
FOTOGALLERIJ
WOORDENLIJST
INCIDENTENLIJST
HISTORIE
KNIPSELKRANT
DOWNLOADS
GASTENBOEK
CREDITS
 
UNIFIL FILMS
UNIFIL LINKS
UNIFIL FORUM
 
Veteraneninstituut Veteraneninstituut Veteraneninstituut

 

 
SiteMapMail OnsGa naar de StartPagina SiteMap Mail Ons Ga naar de StartPagina

Dutchbatt aan zet  

Organisatie en reorganisatie

 

Terwijl het bataljon zich installeerde, namen ook de Nederlandse militairen die bestemd waren voor een functie bij het UNIFIL-hoofdkwartier hun plaats in. Van de ruim achthonderd Nederlandse militairen bij de vredesmacht werkten er aanvankelijk dertien in Naqoura. Later groeide dat aantal tot boven de twintig. De officieren onder hen kregen functies in de staf aangewezen. Naast de invloed­rijke chief operations officer (COO ofwel G3) en de senior military information offícer (G2) leverde Nederland enkele stafofficieren die zich onder meer met de voedselvoorziening, genie-aangelegenheden en personeelszaken bezighielden. Verder verzorgden zes Nederlandse militairen de verbindingen van het hoofdkwartier, terwijl een groep van zeven marechaussees bij de militaire politie van UNIFIL, de MPCoy, was ingedeeld. Van oktober 1981 tot november 1982 bezette Nederland, in de persoon van brigade-generaal Woerlee, in plaats van de G3-functie de post van plaatsvervangend force cornmander.

De stafofficier die het hoogst in rang was - in het begin was dat kolonel Tjassens -, fungeerde tevens als de commandant van alle Ne­derlandse militairen in Libanon. Deze contingentscommandant bezat vooral nationale verantwoordelijkheden, bijvoorbeeld op het terrein van personeelszaken. Ook het regelen van de zeer frequente (werk)bezoeken uit Nederland behoorde tot zijn taak. Dit kostte zo­veel tijd dat Tjassens' opvolger kolonel B.C.M. van Genuchten eens verzuchtte: "Soms voel ik mij meer een directeur van een reisbureau dan een COO-UNIFIL." , De contingentscommandant kreeg weliswaar enige administratieve ondersteuning, maar van een volwaardig con­tingentscommando, zoals dat tegenwoordig aan uitgezonden een­heden wordt toegevoegd, was geen sprake.

Dutchbatt zelf bestond aanvankelijk uit de bataljonsstaf, de staf­en verzorgingscompagnie, de Alpha- en Charlie-pantserinfanterie­compagnieën, de pantserondersteuningscompagnie (Paostcie) en de aanvullingsdetachementen- of Delta-compagnie. De veldcompagnieën - de Alpha- en Charlie-compagnie en de Paost­cie - waren bestemd voor de uitvoering van de operationele hoofd­taak, terwijl de staf- en verzorgingscompagnie en de Delta-compag­nie de logistieke ondersteuning en andere taken voor hun rekening namen. De centrale aansturing gebeurde vanuit de bataljonsstaf.

Deze bestond uit de bataljonscommandant met zijn stafofficieren en toegevoegd personeel. Organiek was de staf in vier secties opge­deeld: personeel (Si), inlichtingen (S2), operatiën (S3) en logistiek (S4). De secties 2 en 3 vormden, zoals gewoonlijk, samen één gecom­bineerde sectie Operations (of Ops), die de dagelijkse leiding over alle operationele aangelegenheden had. Hiertoe behoorde ook een tweetal tolken Arabisch in de rang van kapitein. Het Nederlandse contingent beschikte daarmee als enige over eigen tolken, die niet alleen als vertaler het bataljon ondersteunden, maar vaak ook zelf­standig optraden. De meesten van hen studeerden aan de Universi­teit van Amsterdam en hadden Arabisch daar als hoofd- of bijvak. Een militair jurist en een externe defensievoorlichter werden for­meel niet tot het bataljon gerekend, maar draaiden in de praktijk gewoon in de staf mee.

Hoewel ook de veldcompagnieën in hun staven enig verzorgend personeel telden, zoals een keukengroep en een onderhoudsgroep, was het gros van die categorie militairen bij de staf- en verzorgings­compagnie en de Delta-compagnie ingedeeld. De onderlinge taak­verdeling tussen deze twee laatstgenoemde eenheden was in de da­gelijkse praktijk verre van logisch. Zo hadden beide een geneeskun­dig peloton. Terwijl de staf- en verzorgingscompagnie de elementen bevatte die organiek tot 44 Painfbat behoorden, bestond de Delta­compagnie uit de onderdelen die aan het bataljon waren toegevoegd om het zelfstandiger te kunnen laten opereren. Voor deze organisatievorm was gekozen om de structuur van 44 Painfbat zo­veel mogelijk intact te laten. Van de Delta-compagnie maakte onder meer een peloton `algemene diensten' deel uit. Hiertoe behoorden de geestelijk verzorgers, een wzz- of welzijnsofficier, een of­ficier bedrijfsmaatschappelijk werk en de voorlichtingsgroep, die verantwoordelijk was voor de interne voorlichting en de uitgave van Dubbel Vier.

Onder de Delta-compagnie viel ook een brigade van de Koninklijke Marechaussee. Deze `brigade Libanon', die lange tijd in het dorp Kafra zetelde, deed in Libanon vooral dienst als militaire politie. Zij hield toezicht op het weggedrag van de Dutchbatt-chauffeurs en toet­ste in meer algemene zin het doen en laten van de Dutchbatters aan de Nederlandse strafwetgeving en militaire voorschriften. Een be­langrijk aandachtspunt was het gebruik van en de handel in drugs, met name hasj. Dit verdovende middel werd in Libanon in grote hoe­veelheden geproduceerd. Het was daarom bijzonder wrang dat in het najaar van 1979 uitgerekend de eerste commandant van de `brigade Libanon' wegens algemeen disfunctioneren, drankmisbruik en drugs­gebruik van zijn taak werd ontheven en gerepatrieerd.

De twee pantserinfanteriecompagnieën van Dutchbatt, de Alpha­en de Charlie-compagnie, beschikten elk over drie pelotons, die op hun beurt uit een commandogroep en drie pantserinfanteriegroe­pen bestonden. Iedere groep was uitgerust met het pantserwielvoer­tuig van Nederlandse makelij, de DAF YP 408 - kortweg de YP. Op dit voertuig, dat tien man kon transporteren, was een zware mitrailleur .50 gemonteerd. Als persoonlijke wapens dienden het geweer FAL en de pistoolmitrailleur UZI; bovendien beschikten de infanteristen per groep over een lichte mitrailleur MAG en een licht antitankwapen, de Carl Gustav-terugstootloze vuurmond (TLV).

Ook de Paostcie had de beschikking over de YP408, zij het dat bij deze eenheid de voertuigen vooral bestemd waren om de zware wa­pens en het bijbehorend personeel te vervoeren. De compagnie telde twee mortierpelotons, met elk drie 120 mm mortieren, en een anti­tankpeloton, uitgerust met zes op YP's geplaatste Tow-draadgeleide ra­ketlanceerinrichtingen, het standaard pantserbestrijdingswapen van de KL.

In het Engels, de voertaal van UNIFIL, stond de Paostcie terecht bekend als de Heavy Weapons Coy. Het personeel van de compagnie deed in Libanon overigens veelal hetzelfde VN-werk als de infanteristen van de Alpha- en Charlie-compagnie. De bediening van de mortieren en de Tow's was bijna een neventaak, maar wel één die van groot be­lang kon zijn. De mortieren waren elke nacht paraat om lichtsteun te verlenen. Dit hield in dat zij op verzoek van observatieposten of pa­trouilles lichtgranaten afschoten om het terrein te verlichten.

Nadat enige ervaring met de taakuitvoering was opgedaan, brak de tijd aan om de organisatie kritisch te bezien. Dutchbatt had, zoals gezegd, te weinig infanteriecapaciteit om al zijn taken op verant­woorde wijze te kunnen uitvoeren. De extra inspanning die het le­verde, kon het op de langere termijn onmogelijk volhouden. Daarbij kwam nog dat het verzorgingspersoneel onvoldoende aan zijn on­derhouds- en hersteltaken toekwam. Bataljonscommandant Len­sink diende om deze reden eind maart 1979 een verzoek in om de sterkte van het bataljon met 120 man infanterie uit te breiden, ten koste van 75 man in de logistieke sector. Een team van organisatie­experts kwam na een bezoek aan Libanon echter tot de conclusie dat het doel ook op een andere manier kon worden bereikt. Op basis van hun bevindingen besloot de BLS tot een reorganisatie waarbij zestig logistieke functies voor een gelijk aantal infanteristen werden inge­ruild. Een uitbreiding van de sterkte, bijvoorbeeld met nog twee extra pelotons pantserinfanterie, was in de ogen van luitenant-ge­neraal De jager niet verantwoord, omdat dan wellicht nog meer dienstplichtigen tegen hun zin moesten worden uitgezonden. Ruim achthonderd man was ook voor minister Scholten het maximum.

In de nieuwe Dutchbatt-organisatie, die in juni 1979 werd inge­voerd, waren de verzorgende elementen beter gestroomlijnd. In de plaats van de staf- en verzorgingscompagnie en de Delta-compagnie kwamen een stafcompagnie en een verzor­gingscompagnie. In de stafcompagnie, die de locatie van de Delta­compagnie in al-Yatoun overnam, zaten de pelotons die de operationele taak direct steunden, zoals het verbindingspeloton, het ge­niepeloton en het nieuwe stafwachtpeloton. Dat laatste was belast met de bewaking van de diverse locaties van de bataljonsstaf, die met het personeel van het voormalig peloton `algemene diensten' was uitgebreid. In de verzorgingscompagnie, die in Haris was gele­gerd, waren de logistieke eenheden ondergebracht.

De pantserondersteuningscompagnie profiteerde het meest van de reorganisatie. Bovenop de algemene taakuitoefening in het eigen vak, moest zij immers ook de andere onderdelen van Dutchbatt met haar mortieren en Tow's steun verlenen. In het vak van de Charlie­compagnie was bijvoorbeeld lange tijd een permanente mortierstel­ling ingericht (post 7-19). Om deze veelheid van taken te kunnen uit­voeren, kreeg de Paostcie een extra infanteriepeloton, dat overigens geen eigen YP's bezat. Het verkenningspeloton kwam ook onder haar bevel, zij het dat het peloton bij een latere reorganisatie naar de stafcompagnie overging.

Na deze reorganisatie kwam Dutchbatt geleidelijk in rustiger vaarwater terecht. De werktijden normaliseerden zich, met dien ver­stande dat de operationele taak in het weekend en in de nachtelijke uren gewoon doorging. Het onderhouds- en herstelpersoneel kon zich op zijn eigenlijke taak gaan concentreren, en dat was hard nodig, want het onderhoud was de eerste maanden op alle niveaus noodgedwongen verwaarloosd.

 

 


  Bron: "Vredesmacht in Libanon" De Nederlandse deelname aan UNIFIL 1979-1985

Ben Schoenmaker, Herman Roozenbeek(redactie), Uitgeverij BOOM
Nederlands Instituut voor Militaire Historie

 

 
Veteraneninstituut