Voorbereiding
en vertrek
Organisatie
en opleiding
De
verkenningsgroep, die een arts en specialisten op het terrein van logistiek, verbindingen en vervoer in de
gelederen had, kwam met de nodige praktische
informatie terug. Deze werd gebruikt bij het nader bepalen van de personele en materiële samenstelling van het uit te zenden detachement. De VN had bij monde van
kolonel Dibuama om een "self-sufficient" bataljon gevraagd, hetgeen betekende dat
het vooral in logistiek opzicht grotendeels op eigen benen diende te
staan. Slechts voor een klein aantal voorzieningen, waaronder
een door de Noren gerund hospitaal, kon het wel op
UNIFIL terugvallen. Omdat de organisatie van 44 Painfbat volledig was toegesneden op een optreden
in brigadeverband, moest het, nu het veel sterker op zichzelf zou zijn aangewezen, met
extra capaciteit worden
uitgerust. Deze toegevoegde middelen werden samengebracht in een aanvullingsdetachementencompagnie, die
speciaal voor de uitzending naar Libanon werd geformeerd. Deze eenheid,
al snel de Delta-compagnie geheten, herbergde extra
onderhouds-, bevoorradings- en geneeskundig
personeel, plus onder meer een groep marechaussees,
een geniepeloton, een ploeg van de Cantinedienst (CADI), sportinstructeurs, voorlichters, tolken, een filmoperateur en een officier van de Welzijnszorg (WZZ).
Het
leeuwendeel van het VN-detachement, dat na aankomst
in Libanon de benaming 'Dutchbatt' zou krijgen, werd
door 44 Painfbat geleverd. Deze eenheid werd geleid door de
bataljonscommandanten zijn staf en ondersteund door een staf- en
verzorgingscompagnie die verantwoordelijk was voor de verbindingen, de
eerstelijns logistiek en het uitvoeren van
verkenningen. De hoofdmoot van het bataljon bestond uit drie
pantserinfanteriecompagnieën.
Eén daarvan was echter in vredestijd niet beschikbaar, omdat het dienstplichtig personeel reeds met klein verlof naar huis
was gestuurd. De tweede compagnie was nog te korte tijd paraat en onvoldoende tot een eenheid gesmeed om al in maart te
kunnen worden uitgezonden. Daarom
werd, zoals gezegd, één pantserinfanteriecompagnie door 43 Painfbat beschikbaar gesteld. Ten
slotte was er de
pantserondersteuningscompagnie (Paostcie), waarin de zware wapens -
120 mm
mortieren en antitankwapens van het type Tow - waren ondergebracht. Daar het bataljon ook
nog eens met meer dan vijftig
pantserwielvoertuigen van het type DAF YP408 naar Libanon zou afreizen, voldeed het
ruimschoots aan de wens van de secretaris-generaal van de VN om vooral niet te lichtbewapend te komen.
44
Painfbat bestond voor driekwart uit dienstplichtigen, waardoor de eenheid het
karakter van een doorgangshuis had. Iedere twee maanden maakte een nieuwe lichting haar
opwachting en keerde de oudste ploeg terug naar de burgermaatschappij. Deze gestage vervanging van
het personeel geschiedde binnen het bataljon op twee
manieren. In de staf en de staf- en
verzorgingscompagnie vond zij op individuele basis plaats. De
doorstroom ging geleidelijk, in de zin dat om de acht weken een bepaald
percentage van de functies van bezetter wisselde. Het voordeel van dit
zogeheten individueel aanvullingssysteem (INDAS) was dat binnen de eenheid
steeds een gelijk niveau van
kennis en ervaring aanwezig was. De pantserinfanteriecompagnieën
hanteerden daarentegen het onderdeelsaanvullingssysteem (ONDNS). Daarbij bestond de gehele compagnie - minus het beroepskader - uit
één lichtingsploeg, die op hetzelfde tijdstip opkwam en
afzwaaide. Zij werd, anders gezegd, eenmaal in de veertien of zestien maanden
in één slag compleet vernieuwd. Omdat haar personele samenstelling zich tussentijds niet wijzigde, was het mogelijk een hecht teamverband te vormen
en te behouden. Voor de
gevechtseenheden was dat van groot belang. Het nadeel van een ONDAS-eenheid was
echter dat zij kort na haar paraatstelling nog weinig ervaren was en, zo bleek nu, nog niet rijp voor uitzending. Daarom moesten niet alleen een
pantserinfanteriecompagnie maar ook het antitankpeloton en een van de twee
mortierpelotons van de Paostcie uit 43 Painfbat worden gehaald.
Het aldus
geformeerde detachement moest in korte tijd voor uitzending gereed worden
gemaakt. In de hectische twee maanden tussen het kabinetsbesluit van 12 januari en de geplande
vertrekdatum in maart moest er nog van alles gebeuren. Mede omdat een groot aantal
militairen een rekest indiende om thuis te mogen blijven, nam de personele vulling veel tijd in
beslag. Dat gold ook voor de materiële
voorbereidingen, tal van administratieve beslommeringen, de voorlichting, de immunisering en de
tandheelkundige sanering. Omdat de
militairen daarenboven recht hadden op één week inschepingsverlof, resteerden er uiteindelijk
vier weken voor het geven van een aanvullende VN-opleiding.
Het probleem daarbij was dat er geen uitgewerkt programma klaar lag. Aanvankelijk lagen er
slechts brokstukken, herinnerde kapitein F. Meek van - staf van de 42 Pantserinfanteriebrigade zich:
"Een 'keep peace oefeningetje' uit de tijd dat het 44ste werd aangewezen voor VN-operaties... Wat literatuur van de Fransen en Noren, die detachement,in Libanon hadden; van de Noren gelukkig voor een
deel in het Engels... En enkele VN-Opleidingsaanwijzingen van de landmachtstaf." Meek doelde,
wat die laatste bron betreft, waarschijnlijk op de vrij algemeen geformuleerde opleidingsbijlage van het operatieplan Ochtendblad, dat in de loop van de jaren
zeventig was ontwikkeld. Het hield
niet over. In feite moest in januari zowel de inhoud als de organisatie van het opleidingsprogramma van
de grond af worden opgebouwd. Wie had verwacht dat de VN op dit punt uitkomst zou
bieden kwam bedrogen uit. Er
bestond weliswaar een semi-officiële handleiding, het Peacekeeper's handbook, maar dat beperkte zich - zoals de meeste
internationale literatuur over vredesmachten - tot een beschrijving van
de hoedanigheden die een militair tot een goede blauwhelm maakten
(flexibiliteit, neutraliteit, politiek'-cultureel inzicht), terwijl het de vraag hoe dit ideaalplaatje concrete invulling moest krijgen, onbeantwoord liet. In de praktijk
kwam het er op neer dat de VN de opleiding tot peacekeeper aan
de troepenleverende landen overliet,
waarbij het die landen natuurlijk vrij stond zoveel mogelijk bij elkaar te
rade te gaan. Via die bilaterale weg won de KL inderdaad de nodige informatie in. Zo gaven de Noorse officieren die eind januari in de Haagse Prinses Julianakazerne een briefing
verzorgden, nuttige opleidingstips, terwijl ook op dit punt de ervaringen van de UNTSO-waarnemers ter harte werden genomen. De
verkenningsgroep van Hovenier kreeg van de Fransen de aanbeveling om ter voorbereiding op het werk in
Libanon de manschappen vooral te
oefenen in het patrouilleren te voet, het opbouwen van wachtposten, het fouilleren van personen en het doorzoeken van voertuigen.
Met behulp van deze gegevens diende Staf Ochtendblad de
opleidingseisen
voor Libanon te formuleren, terwijl de staf van 42 Pantserinfanteriebrigade
verantwoordelijk was voor de praktische uitwerking en het schrijven van de syllabi. Op 25 januari gaf
luitenant-kolonel T.G. Waanders van Staf Ochtendblad de opleidingsaanwijzingen uit. Deze
bevatten twee belangrijke doelstellingen, namelijk het bijbrengen
van "ruime kennis en inzicht omtrent de status van de VN-Militair, m.n. de wijze van optreden van de VN-Soldaat (correct, resoluut en neutraal)" en het
bewerkstelligen van een "mentaliteitsombuiging van Europese `vijand' naar
`overtreder van VN-afspraken"'. Dat waren
ambitieuze eisen, niet alleen voor de militairen die nu plotsklaps voor de VN-taak moesten worden geprepareerd, maar ook voor
degenen die hen in de loop van 1979 zouden gaan vervangen. Nederland had
zich voor minimaal een jaar aan UNIFIL verbonden, terwijl de meeste dienstplichtigen
voor ongeveer zes maanden zouden worden uitgezonden. Daarom was vanaf het begin
duidelijk
dat er tussentijds minimaal eenmaal een aflossing diende plaats te vinden.
Ook voor deze opvolgers kon de VN-Opleiding echter slechts beperkt van duur zijn,
omdat 44 Painfbat voor de duur van zijn verblijf in het verre Libanon niet van zijn NAVO-taak werd ontheven. Dit betekende dat de aflossers eerst de reguliere `groene'
gevechtsopleiding zouden doorlopen
en dat er dan pas tijd voor een korte (aanvullende) bijscholing tot peacekeeper zou zijn. Een bijkomend voordeel van deze opzet was dat de Libanongangers na hun afzwaaien probleemloos
naar een mobilisabele eenheid met een NAVO-taak konden doorstromen, waarbij tijdens het gehele traject het ONDAS-verband behouden bleef. De KL-leiding deed er alles aan om
het nadelig effect van de missie naar Libanon op de NAVO-taak zo klein
mogelijk te houden. 44 Painfbat bleef
formeel deel van het Eerste Legerkorps uitmaken, maar wel werd zijn "availability status" voor de duur van de uitzending
van A1 naar A4 verlaagd, hetgeen wilde zeggen dat het
pas na twee tot vier weken
beschikbaar kon zijn. Om die periode te overbruggen kreeg 42
Pantserinfanteriebrigade versterking van het mobilisabele
niet-gemechaniseerde 55 Infanteriebataljon, waarvan
de reeds voorziene ontmanteling voor onbepaalde tijd werd
uitgesteld. Dit was een goedkope
maatregel. Scholten had een verzoek van de KL om dit bataljon tijdelijk met overtollige amx-pantservoertuigen uit te rusten om financiële redenen afgewezen. Dit alles met het idee dat deze verzwakking van de NAVO-bijdrage slechts een
jaar zou duren.
Hoe nu zag
het in januari 1979 haastig in elkaar gezette opleidingsprogramma eruit? Voor
de ONDAS-eenheden viel het in vijf blokken uiteen. Het eerste was een aangepaste en
verkorte versie van Pantserstorm. Deze
pittige oefening, die door het Korps Commandotroepen werd verzorgd, was een vast onderdeel van de
opleiding van de in
fanteristen en duurde twee weken. Zij was bedoeld om de gevechtsvaardigheid en de lichamelijke en mentale
weerbaarheid op te voeren. De
militairen leerden er hun grenzen verleggen en onder afmattende omstandigheden met elkaar samenwerken.
Voor de Libanongangers werd Pantserstorm tot vijf dagen ingekrompen en toegesneden op de taken die hun als peacekeepers te
wachten stonden, zoals het
patrouilleren, het inrichten van veld- en wachtposten en het aanleggen en bemannen van roadblocks. Nagebootst
werd hoe voorbijgangers dienden te
worden aangehouden en ondervraagd, hoe voertuigen moesten worden
doorzocht en hoe hinderlagen konden worden onderkend.
Ook kaartlezen en oriënteren stonden op het programma. De journalisten die
op uitnodiging van Defensie een kijkje kwamen nemen, schreven overwegend positief.
Goeddeels bekomen van de schrik die het kabinetsbesluit had
veroorzaakt, bereidde het bataljon zich nu zelfbewust en gemotiveerd op zijn VNmissie voor. Een van de
militairen zei in Het Parool, "We hebben nu een veel duidelijker beeld van de taken die we
daar krijgen en de teamgeest is deze week
enorm vooruitgegaan."
Het tweede
oefenblok bestond uit een driedaagse training in de omgang met mijnen en explosieven. Deze vond plaats bij de Mineurs- en
Sappeursschool van de genie in het Brabantse Schaijk.
Ook hier
ging het om een bestaande cursus die aan de Libanese situatie was aangepast. De vaak
nog onbevangen dienstplichtigen kregen daar vooral ingeprent niet met hun handen te
kijken. Raak geen verdachte objecten aan, maar markeer deze alleen, was de
boodschap.
Wees
bovendien alert op valstrikken. Het aanleggen van draadversperringen, concertina's en struikeldraden ter beveiliging van de posten kwam eveneens aan bod. Na Schaijk brak het derde hoofdstuk van de voorbereiding aan, namelijk een verblijf van drie dagen in
het Infanterieschietkamp in De Harskamp, waar de
schietvaardigheid werd opgevijzeld. De mortierpelotons bezochten
daarvoor het Artillerieschietkamp in Oldebroek. Vervolgens was het tijd voor een pelotonsopleiding van
opnieuw drie dagen in en rond de kazerne, waarbij de typische VN-taken andermaal in
de praktijk werden beoefend. Dit gebeurde overigens onder zeer
winterse omstandigheden. Het noorden
van het land was door extreem zware sneeuwval getroffen, zo zwaar zelfs dat de krijgsmacht op grote schaal militaire bijstand moest verlenen om de nood te lenigen.
Ook aanstaande Libanongangers werden ingezet
om sneeuw te ruimen. Het opleidingsprogramma werd afgesloten met het
vijfde oefenblok, Algemene Vorming
geheten. Onder deze noemer vielen de theorielessen over de VN-vredesoperaties en Libanon. Er vond onderricht in de krijgstucht,
het oorlogsrecht en de materieelherkenning plaats, terwijl ook de kennis
van zelfhulp/kameradenhulp, de militaire versie van EHBO, werd
opgefrist.
Tot zover de pantserinfanteriecompagnieën en de
pantserondersteuningscompagnie. De bijscholing van de militairen van de staf, de
staf- en verzorgingscompagnie en de aanvullingsdetachementencompagnie had minder om
het lijf. Zij zouden, zo was de verwachting, louter in hun organieke
verzorgende functie te werk worden gesteld en geen specifieke VN-taken verrichten. Voor hen zou de overgang naar UNIFIL dan
ook weinig inhoudelijke veranderingen met zich meebrengen. Of men nu kok dan wel monteur
in Nederland of Libanon was,
het leek weinig verschil te maken. Daarom bleef voor deze ONDAS-militairen de VN-opleiding tot het bovengenoemde laatste blok,
de Algemene Vorming, beperkt. Voor meer oefening hadden zij trouwens ook
niet echt de tijd, omdat de last van de praktische voorbereidingen, zoals
het vele papierwerk, het kleden van het personeel en het gereedmaken van de voertuigen, de wapens en het verbindingsmaterieel, vooral op hen neerkwam.
De
opleiding en de voorlichting over de VN-taak in
Libanon liepen naadloos in elkaar over, zij het dat de informatievoorziening ook voor het thuisfront bestemd was. Defensie
hield tijdens de voorbereiding groeperingen als de Werkgroep Israël en het Palestina Komitee, die de militairen graag hun visie op het
Midden-Oostenconflict wilden geven,
beleefd op een afstand. Een bijdrage
van de VVDM op dit punt werd evenmin op prijs gesteld, waarop deze
vereniging op eigen houtje de
brochure Nederlandse maten naar het Midden-Oosten uitgaf. Defensie maakte wel
gebruik van de expertise van het Amsterdamse Tropeninstituut, terwijl ook een hulpaanbod van het door Neuman geleide
Nederlands Instituut voor Vredesvraagstukken (NIVV) in dank werd aanvaard. Met hulp van deze instanties kwam er een brede informatiestroom op gang. Er werden
folders, brochures en bulletins
gedrukt, er kwam een extra editie van de Defensiekrant en er werd
een speciale voorlichtingsfilm over UNIFIL gemaakt. De ouders kregen een deel van het schriftelijke
materiaal thuis gestuurd. Iedere
uit te zenden militair kreeg het meerdelige zakboekje Nederland
naar Libanon uitgereikt, met
informatie over de VN, Libanon,
financiële vergoedingen, veldpost, verlofregelingen, welzijnszorg, hygiëne en medische zaken en een
woordenlijst Arabisch-Nederlands.
Hoogtepunt vormde de ouderdag die, nadat hij wegens het barre winterweer
eenmaal was uitgesteld, op 26 februari
in Zuidlaren plaatsvond. Veel ouders stelden het zeer op prijs
kennis te kunnen maken met de
commandant onder wie hun zoon zou gaan dienen. "Het is toch wel prettig om
te weten wie dat is", aldus één van hen.
Bron: "Vredesmacht in Libanon" De Nederlandse deelname aan UNIFIL 1979-1985
Ben Schoenmaker, Herman Roozenbeek(redactie), Uitgeverij BOOM
Nederlands Instituut voor Militaire Historie