Voorbereiding
en vertrek
Op
verkenning
Nog voordat het kabinet tot
deelname aan UNIFIL had besloten, activeerde
de landmacht op 8 januari de Staf Ochtendblad. Deze kreeg de taak alle door de KL te treffen voorbereidingen
voor de uitzending van het VN-bataljon te
coördineren. Tien dagen later richtten BuZa en Defensie een Interdepartementale Werkgroep op,
bedoeld om de samenwerking inzake UNIFIL zo vlot mogelijk te laten verlopen. De werkgroep, waarin vertegenwoordigers van alle
betrokken directies en staven zitting
hadden, kwam met ingang van 18 januari in beginsel eenmaal per week bijeen. Een eerste afspraak die werd gemaakt, betrof de
uitwisseling van alle
relevante berichten en documenten tussen de beide ministeries.' De aandacht van de KL ging vooral uit naar
operationeel bruikbare gegevens. Een nuttig aanspreekpunt vormden de UNTSO-waarnemers die in Zuid-Libanon hadden
gewerkt. Een aantal van hen, onder wie kapitein J. Meerlo, was bij het starten van de UNIFIL-operatie betrokken geweest. Een andere bron van informatie was
de Landmacht Inlichtingendienst, die al in december een eerste rapport over de situatie in Zuid-Libanon gereed had. Daarnaast ging de KL te rade bij landen die vanaf het begin met troepen ter plaatse waren. Van 23 tot 25 januari
was een groep Noorse officieren in
Den Haag om een aantal briefings te verzorgen. Drie weken later bracht een militaire delegatie een
bezoek aan de Franse Generale Staf in
Parijs teneinde zoveel mogelijk informatie over UNIFIL in te winnen. Tevens rukten verkenningsgroepen
uit naar New York en naar Israël en Libanon. De eerste missie vertrok op 21 januari onder leiding van kolonel Tjassens naar het VN-hoofdkvartier. In
het bijzijn van Scheltema sprak de delegatie
met ondersecretaris-generaal Urquhart, met Erskine, die
in New York was in verband met de mandaatsverlenging, en met George Lansky, het tamelijk eigenzinnige hoofd van de Field Operations Division (FOD). De procedures van de FOD, die verantwoordelijk was voor de logistieke en financiële ondersteuning van de VN-Operaties,
vormden een van de agendapunten. Hoewel er op dit terrein op zich geen problemen werden verwacht, onderschreef de delegatie de suggestie van de VN om
tijdelijk een Nederlandse deskundige bij de FOD te detacheren. De
richtlijnen van deze divisie waren immers
veelomvattend. Bovendien was bekend dat de Noren de financiële afhandeling als
een "crime" ervoeren. Tjassens. die na
terugkeer in Nederland dit idee aan zijn superieuren voorlegde, voegde
daaraan toe dat het plaatsen van een liaisonofficier in New York hem ook zinvol leek omdat de
Nederlandse Permanent, Vertegenwoordiging
bij de VN gespeend was "van elke miliitaire 'know-how',
maar nochtans een belangrijke schakel tussen KL en VN gaat worden." Aldus geschiedde. Op 11 februari ging registeraccountant luitenant-kolonel R. Jansen in New York aan de slag als militair-adviseur van Scheltema. Deze
detachering duurde tot 20 juni 1979. Het
volgende gespreksonderwerp behelsde de bevoegdheden en verantwoordelijkheden van de commandant van het
Nederlands, detachement in relatie
tot de commandant van UNIFIL. Scheltema en Tjassens wilden hierover heel graag duidelijkheid
hebben, maar de VN was niet in staat
die te geven. Een heldere - procedureel
vastgelegde - bevelsafbakening
bestond er bij UNIFIL nu eenmaal niet. Volgens Erskine bleek dat in de praktijk geen bezwaar en wanneer zich onverhoopt toch
een probleem zou
voordoen, dan kon dat ter plaatse worden geregeld. Tjassens nam met dit antwoord geen genoegen uit vrees dat de Nederlandse commandant opdrachten zou
krijger die politieke implicaties
konden hebben. Scheltema tilde vooral zwaar aan dit punt, omdat
hij bang was dat de Tweede Kamer het ontbreken
van een formele bevelsverhouding niet zou accepteren Deze overweging werd overigens bij de VN
"slechts met moeite begrepen". Wat doen die Hollanders
moeilijk, leek men daar te denken.
Uiteindelijk moest Nederland er zich toch bij neerleggen dat er weinig schriftelijk werd vastgelegd en dat UNIFIL
binnen het mandaat vooral "op
basis van ervaringsregels" opereerde. Over een andere kwestie kreeg de delegatie wel uitsluitsel.
Nederland behield in Zuid-Libanon de
exclusieve jurisdictie over zijn militairen. Dat kon ook moeilijk anders, want de regering in Beiroet
oefende daar geen effectief gezag uit. Erskine toonde zich tijdens het onderhoud
vooral verontrust over het tijdschema
van aankomst en ontplooiing dat het Nederlandse VN-detachement van plan was te
hanteren. Het lag in zijn bedoeling
het vak dat door het Iraanse contingent zou worden
verlaten, onder de reeds aanwezige bataljons uit
Nigeria, Senegal en Fiji te verdelen,
terwijl Nederland dan de sector van het vertrekkend, Franse bataljon zou overnemen. Dit gebied, waar
mobiliteit een vereiste was, zou bij uitstek geschikt zijn voor een met
pantserwielvoertuigen uitgeruste eenheid. Later verklaarde Erskine dat
hij nog een goede reden had om het
Nederlandse bataljon te plaatsen in & zuidwesthoek van het UNIFIL-gebied, gelegen aan de door majoor Haddad gecontroleerde zone langs de grens met Israël.
Deze maatregel zou tot gevolg hebben
dat de IDF en de DFF, wanneer zij een militaire actie
in noordelijke richting zouden ondernemen, grote kans liepen op Nederlandse blauwhelmen te stuiten. En dan was
het risico van een gewapend treffen
altijd aanwezig. Erskine, die heel goed wist
dat Nederland en Israël hartelijke betrekkingen onderhielden, maakte
van dat gegeven graag gebruik. Hij hoopte dat Israël zich zou laten intomen door "the morbid fear that such
armed confrontation had the potential of impacting negatively
on the historical, long, congenial Dutch-Israeli
relations". De eerste zorg van Erskine was echter de Nederlanders tijdig in Libanon te krijgen. De VN had de Fransen, die zo snel mogelijk weg wilden, met veel moeite zover gekregen het vertrek van hun bataljon tot eind februari uit te stellen. Het was
dringend gewenst, benadrukte ook Lansky, dat hun
opvolgers dan onmiddellijk klaar zouden
staan, omdat UNIFIL anders tijdelijk
ernstig verzwakt zou zijn. Tjassens
antwoordde dat dit uitgesloten was. Op zijn vroegst kon het Nederlandse contingent op 10 maart in Libanon
arriveren en na 15 maart de
verantwoordelijkheid over het bataljonsvak overnemen. Hij legde uit dat
de voorbereidingen en de aanvullende opleiding nu eenmaal tijd vergden, maar vond bij zijn gesprekspartners weinig begrip.
Toen Urquhart besefte dat er op dit punt geen harde
afspraak te maken viel, restte hem weinig
anders dan op de goede wil van de betrokken
landen te blijven hopen. Nederland werd verzocht de grootst mogelijke spoed te betrachten, terwijl de
VN andermaal een beroep op Frankrijk zou doen zijn troepen nog iets langer op
hun post te houden. Hoewel de KL de reactietijd flink had ingekort - aanvankelijk zou het bataljon pas per 1 mei
inzetbaar zijn - was Scheltema niet
tevreden. Hij vond dat meer flexibiliteit geboden was. Het was zijns inziens absoluut "niet te
verkopen" dat de KL zoveel
tijd nodig had. Hij drong er bij Tjassens
op aan "de vn-wensen te accepteren"
en deze te Den Haag ter bestemder plaatse te deponeren. Uiteindelijk zou niet Nederland maar
Frankrijk toegeven. Na eerst nog voet bij stuk te hebben gehouden,
zwichtte de Franse regering voor de druk
die de VN, de Nederlandse ambassade in Parijs en de Libanese autoriteiten op haar uitoefenden.
Op 27 januari verklaarde zij zich bereid haar
bataljon tot 15 maart in Zuid-Libanon te houden. Naar ambassadeur De Ranitz had vernomen,
was deze beslissing door de
president van de Republiek, V. Giscard d'Estaing, in hoogst
eigen persoon genomen, omdat deze wilde voorkomen dat UNIFIL te
zeer zou worden verzwakt. Voor Nederland was de Franse tegemoetkomendheid een grote opluchting, omdat er nu
geen gat van twee weken zou vallen
tussen het vertrek van Frenchbatt en de komst van Dutchbatt. Was
dat wel gebeurd, dan zouden de strijdende partijen die interim-periode stellig hebben gebruikt om hun posities
te versterken en hun invloed uit te breiden. De Nederlanders zouden in dat geval een zeer slechte start hebben
gemaakt. Daarom nam De Ranitz de eerste de beste gelegenheid te baat om
minister François-Poncet hartelijk te bedanken. Het laatste punt van het overleg dat Tjassens in
New York voerde, betrof de vraag welke functies Nederland in de staf van UNIFIL zou gaan bekleden. De posten die Erskine aanbood, waren de landmacht niet hoog genoeg. Zij claimde minimaal één functie
op kolonelsniveau; minder was onbespreekbaar. Gedacht werd aan de
posities van plaatsvervangend commandant tevens chef-staf, plaatsvervangend chef-staf of hoofd Operatiën (G3). De KL meende sterk in de Sectie
G3 vertegenwoordigd te moeten zijn,
omdat de staf van UNIFIL geen ervaring
had met het optreden van eenheden die over pantservoertuigen
beschikten. Geconfronteerd met deze eisen, beloofde Erskine na lang aandringen dat hij zou bezien of die laatstgenoemde
functie per april
1979 in
Nederlandse handen
kon overgaan. Omdat deze post pas
sinds oktober 1978 door een Nepalees officier werd
bekleed, had Tjassens
"(persoonlijk) weinig vertrouwen" in deze toezegging. Tjassens twijfelde ten onrechte aan de woorden van
Erskine. Nadat de commandant van
UNIFIL naar zijn hoofdkwartier in Naqoura was teruggekeerd, ontving hij op 25 januari de andere,
acht man sterke verkenningsgroep, die
door luitenant-kolonel T. Hovenier werd aangevoerd. De generaal bood de Nederlanders nu formeel de kolonelsfunctie van hoofd Operatiën (chief operations officer) aan.
Wellicht, zei hij, zou zich in de toekomst
een nog hogere positie aandienen.
Nadat Hovenier ruggespraak met de KL-leiding in Den
Haag had gehouden, kon hij meedelen
dat de BLS instemde, mits Nederland
ook de door een luitenant-kolonel te vervullen functie van hoogste inlichtingenofficier (senior military information officer) zoukrijgen. Erskine was niet erg gelukkig met dit verzoek, omdat dan twee
belangrijke posten in de operations branch van zijn staf door Nederlandse officieren zouden worden bezet, maar hij
ging niettemin akkoord. Het speet hem
bovendien te moeten horen dat de KL vasthield aan 15 maart als de datum waarop
het Nederlands bataljon inzetbaar kon zijn. Op 26 januari voerde overste Hovenier een
verkenning in het UNIFIL-gebied uit. Een van de officieren die hem vergezelden,
was majoor F.R.E.J.
Straatman, de plaatsvervangend commandant van 44 Painfbat De Nederlandse officieren kregen te horen
dat behalve het Franse ook het
noordelijker gelegen Senegalese bataljonsvak voor overname in aanmerking kwam en dat zij beide
sectoren dienden te inspecteren. Dat
Erskine meerdere opties openhield, hield wellicht verband met het juist die dag bij hem
binnengekomen verzoek
van de Israëlische generaal Levran. Deze drong erop
aan de Nederlanders
niet in het Franse vak onder te brengen, omdat het risico van een botsing met
de IDF of
het hulpleger van Haddad dan bijzonder groot zou zijn.
Een keuze voor een sector, meer uit het zicht en buiten het schootsveld van
Israël, zou zijn land goed uitkomen. Rob Simons, correspondent in Israël voor een aantal regionale
kranten, kreeg in Naqoura lucht van de Israëlische
bezwaren. "Ter voorkoming van een
situatie", schreef hij, "waarin Nederland in een politiek conflict met Israël zou geraken (...)
worden de mogelijkheden bekeken het
Nederlandse bataljon in een andere sector in te delen ." De
verkenningsgroep liet zich door dergelijke politieke overwegingen niet van de wijs brengen. Zij
kwam na haar monste-ring van het gebied tot de conclusie dat het `meer open' Franse vak voor
het Nederlands bataljon, dat met veel voertuigen was
uitgerust, het geschiktst was. Of dit oordeel er veel toe deed, is maar de
vraag, want de volgende dag hakte Erskine
eigenhandig de knoop door: de Nederlanders
zouden de plaats van de Fransen gaan innemen.
In een boodschap aan Urquhart meldde hij dat hij niet voor de druk van Israël was
gezwicht. Hij wilde, zoals vermeld, de Nederlanders juist daar hebben waar
zij - naar hij hoopte - in hun rol als beteugelaars van het bevriende Israël het beste tot hun recht zouden komen.
Het
verslag dat de verkenningsgroep na terugkeer in Nederland opstelde, bevatte een
eerste summiere beschrijving van het toekomstig operatieterrein: "Zeer geaccidenteerd
en zeer veel rotsen. Op akkers (löss grond)
veel losse stukken rots, alsmede ook op de hellingen.
Begroeiing hoofdzakelijk bestaande
uit Cypressen, olijfbomen er doornstruiken. In
het W[est]-deel van het vak een lang en steil ravijn en citrusplantages. De wegen zijn veelal hard
(ook bij regen). Stukken met veel gaten (5-
10 cm
diep) zijn aanwezig,
maar ook veel goede stukken." Tegen een journalist die hem achterna
was gereisd, zei Hovenier dat het terrein
niet eenvoudig was, maar dat de Nederlandse
soldaten het er, gezien hun improvisatietalent, best zouden rooien.
Behalve
haar eigen indrukken nam de verkenningsgroep, die lang niet alle posten in het gebied had kunnen bezoeken,
een Frans informatierapport terug naar huis. Bataljonscommandant Lensink kreeg daarvan een vertaalde versie in
handen. Hij kon daarin lezen dat het aan zijn eenheid toegewezen gebied
ongeveer 32.000 inwoners telde. De meesten van hen waren arme sjiietische moslims. Alle 22 dorpen hadden oorlogsschade opgelopen, sommige
waren zelfs voor meer dan de helft vernield. Ook de wegen, het
elektriciteitsneten de watervoorziening hadden het zwaar te verduren gehad.
Gelet op de terreinkenmerken, waren er in het Franse vak drie zones te onderscheiden. In het noordelijk deel woonden de
meeste mensen. De grond was er relatief vruchtbaar en de boeren
verbouwden er tabak olijven en graan. De zone midden-zuid was daarentegen nauwelijks bewoond. Het gebied was dor, moeilijk toegankelijk en doorsneden met "steile dalwegen". De westelijke
zijde bestond uit een kuststrook met
sinaasappelplantages. Ook in politiek-militair opzicht kende het Franse
vak een driedeling. In het noorden lagen de Palestijnse steunpunten en in het zuiden de christelijke enclaves, terwijl daartussen een stuk niemandsland lag "waar alle
verkeer van gewapenden moet worden verboden".
Uit deze
Franse bron viel verder op te maken dat een samenstel van prefecten, gendarmes en dorpsoudsten geacht werd de centrale Libanese overheid te
belichamen. Voorzover het uberhaupt nog functioneerde, ging van dit bestuurlijk netwerk weinig gezag uit. De macht kwam hier
voornamelijk uit de loop van een geweer en de circa 150 Palestijnse en drie- à
vijfhonderd christenstrijders die zich in het gebied ophielden,
beschikten over veel
meer wapens dan het handjevol vertegenwoordigers van de regering in Beiroet. Voor de milities waren het
dragen van wapens en het ermee dreigen de gewoonste zaak van de wereld. Ter plaatse had Hovenier al van zijn Franse gastheren begrepen dat in een
"Arabische omgeving" te allen tijde
een vastberaden houding diende te worden aangenomen. "Een aarzelend
optreden wekt zelfs minachting op." Tegelijkertijd was het minstens zo belangrijk
dat de VN-troepen goede betrekkingen met de plaatselijke bevolking
onderhielden. De Fransen wekten de indruk dat zij de situatie in hun sector redelijk
onder controle hadden. Hun kordate aanwezigheid, zeiden zij,
compenseerde het gebrek aan enig effectief
Libanees overheidsgezag. Verder benadrukten zij het belang van humanitaire hulp. Vandaar dat Straatman na
thuiskomst tegen een verslaggever zei dat er in Libanon niet alleen een militaire maar ook een sociale taak
wachtte.
Hoewel de verkenningsgroep
tijdens haar vierdaags bezoek het reilen en
zeilen van UNIFIL niet uitputtend had kunnen bestuderen, stond ook voorlichtingsofficier majoor G.A. Struijker Boudier na terugkeer
in Nederland vol vertrouwen de pers te woord. "Uit de sfeer in Nederland", zei
hij, "zou kunnen worden afgeleid dat het om een oorlogstaak zou
gaan, maar het is een politietaak. We hebben als opdracht een gebied te controleren en we hebben als vredesmacht geen
vijanden. Er is natuurlijk wel een element van gevaar bij, dat is nu eenmaal niet weg te praten, maar daarvoor
worden onze militairen opgeleid." De journalist van De Groene Amsterdammer die deze uitspraak optekende, voegde daaraan toe dat de woordvoerders van de KL wel erg hun best deden de toekomstige taak in
Libanon zo vreedzaam mogelijk voor te stellen. Met het oog op de ongerustheid
onder de aangewezen soldaten en hun ouders, schreef hij, waren de pogingen
de boel wat te kalmeren best begrijpelijk, maar zij waren moeilijk te verenigen met het feit dat de strijd in
en om het UNIFIL-gebied de laatste
weken sterk was opgelaaid. Zo meldde het ANP op 27 januari, de dag voordat de verkenningsgroep op
Schiphol landde, dat het Noorse
bataljon die ochtend vier uur lang onder artillerievuur van de DFF had gelegen.
Bron: "Vredesmacht in
Libanon" De Nederlandse deelname aan UNIFIL 1979-1985
Ben
Schoenmaker, Herman Roozenbeek(redactie), Uitgeverij BOOM
Nederlands Instituut voor Militaire Historie