Voorbereiding
en vertrek
Interventies
van Israël
Een
bijzonder aspect van de voorbereiding was het vinden van officieren voor de aan
Nederland toegewezen functies in de staf van UNIFIL te Naqoura. De belangrijkste daarvan
was die van chief operations officer. Deze
militair in de rang van kolonel zou tevens fungeren als de commandant van het Nederlands contingent in Libanon. Op zoek naar
de beste kandidaat kwam de RLS uit
bij kolonel Kramer. Die beschikte ontegenzeggelijk over uitstekende kwalificaties. Als `diplomaat in uniform' was hij van 1975
tot eind 1978 militair attaché in het Midden-Oosten geweest. Met
als standplaats Damascus had hij over Syrië, Irak, Jordanië en ook over
Libanon bericht. Hij beschikte over goede contacten in Beiroet, kende
het terrein en was uitstekend op de hoogte
van de militaire en politieke verhoudingen,
de cultuur, de mores en de gevoeligheden. Bovendien was Kramer, voordat hij naar het buitenland
vertrok, commandant van 44 Painfbat geweest. Hij kende de organisatie,
de middelen en het grootste deel van het
beroepskader. Dat alles maakte hem met voorsprong de geschiktste kandidaat. Dat
zag Kramer zelf ook in toen hij eind januari naar Den Haag werd geroepen. Met
tegenzin - het gezin Kramer had zich
pas
weer in het vaderland gevestigd - nam hij
het aanbod van luitenant-generaal De jager aan. Op 31 januari
maakte een aantal kranten melding van zijn benoeming. Op 1 februari
berichtte Urquhart aan Erskine dat Nederland kolonel Kramer voorstelde als chief operations officer. Daarmee
was zijn aanstelling rond. Zo leek het tenminste.
Binnen de kortste keren was het echter, zoals
Kramer het later omschreef, "Ho! Rooie lichten, Zwaailichten!
Demarche! Interventie!" De Israëlische militair attaché in Nederland vervoegde zich onverwijld bij de Landmachtstaf, om namens
zijn regering protest tegen de aanstelling van Kramer aan te tekenen. De Nederlandse kolonel zou pro-Palestijnse sympathieën koesteren en was daarmee onvoldoende objectief Was
dat zo? Kramer achteraf: "Ik had begrip voor de Palestijnen.
Aan elke munt zitten twee kanten. Ik
heb [daarover] ook nooit een blad voor de mond genomen. (...) Waarom moeten de Palestijnen boeten voor wat
de joden door de Duitsers is
aangedaan in Europa?" En die objectiviteit? "Je bent in Israëlische ogen alleen maar objectief als
je vindt dat de tegenpartij van
Israël niet deugt." Met de mededeling dat de BLS bepaald
had dat kolonel Kramer naar Libanon ging en dat daarmee de kous af was,
werd de Israëlische militair attaché uitgeleide gedaan. Daarop meldde ambassadeur Argov zich bij De
jager om op de vervanging van
Kramer aan te dringen. De BLS weigerde
daar evenwel op in te gaan, zo herinnert Kramer zich
de afloop van deze interventie. Volgens
Kramer ging Argov vervolgens bij Buitenlandse Zaken langs.
"(...) en dan wordt alles anders hè. (...)
Toen was het gedaan.
Toen zijn
de ministers bij elkaar gaan zitten, en, denk ik, hebben ze tegen elkaar gezegd,
is het 't jouw waard? Nee!" Is het zo gegaan? De betrokken ministers hebben
geen herinnering aan het voorval en De Jager is inmiddels overleden. Wat rest is een notitie van Scholter aan de CDS, gedateerd
5 februari 1979, waarin de minister opmerkt dat hij met zijn collega van Buitenlandse Zaken is overeengekomen dat kolonel Kramer de post van chief operations officer niet zal gaan. vervullen.
"Dit in verband", schreef hij, "met de
officieel door Israel ondernomen demarche, gelet op
de politieke opstelling van de voormalige defensie-attaché. De Israëlische regering had dus kennelijk haar zin gekregen, Nederland was door de
knieën gegaan en de KL moest op zoek naar een nieuwe kandidaat voor
bovengenoemde functie. Nadat twee gegadigden om persoonlijke redenen van uitzending afzagen, kwam de BLS uit bij Tjassens. Hoewel deze kolonel in Den Haag slecht kon worden gemist, werd hij
als hoofd Operatiën van de staf van UNIFIL en tevens als Nederlands contingentscommandant aangesteld.
De affaire-Kramer was niet het enige voorbeeld van Israëlische bemoeienis
met de samenstelling van het Nederlandse VN-detachement. Begin maart vroeg de regering van dat land via de
Nederlandse ambassadeur in Jeruzalem om een dienstplichtig militair die zich als PLO-sympathisant had
ontpopt, thuis te laten. Een complicerende factor was dat de zaak zich dit keer in de publiciteit afspeelde. Nadat soldaat G. Mesander, die een verzoekschrift
had ingediend om niet te worden
uitgezonden, te horen had gekregen dat hij toch moest gaan, had hij tegen Elseviers Magazine verklaard dat hij "pro" was. Pro de PLO wel te
verstaan. "Daarom sta ik niet voor mijn eigen neutraliteit in", voegde de Groninger er voor
de duidelijkheid, en misschien ook
wel voor de zekerheid aan toe, "(...) ik ga als een partijdig
iemand daarheen en ik ben ook echt wel van plan om dat daar in Libanon duidelijk te laten merken." Als
hij wat voor de PLO kon doen, zou hij dat niet nalaten. Wat moest dat
worden? Hij kou maar beter thuis
blijven, suggereerde Mesander zelf. In die opvatting werd hij gesteund door
Israël. Door Elseviers Magazine om commentaar gevraagd kon een
anonieme woordvoerder van premier Begin nog net "Mijn god, (...), wat
schrik ik hiervan" uitbrengen. Eenmaal wat bekomen, was de weg naar de
Nederlandse ambassade vervolgens snel gevonden
om erop aan te dringen deze PLO-sympathisant niet mee
te nemen.
Toen de
top van Defensie op 7 maart in vergadering bijeen was, kwam dit verzoek uit
Jeruzalem ter sprake. Zowel Scholten als De Jager bleek er niets voor te voelen een
precedent te scheppen. Lieten ze Mesander
thuis, zo kon men uit hun woorden opmaken, dan was de volgende dag waarschijnlijk het halve bataljon
tot de Palestijnse zaak bekeerd.
Toegeven was dus uit den boze. En dat hoefde ook niet, want Israël had,
zoals staatssecretaris W.F. van Eekelen benadrukte, helemaal geen inspraak in de
samenstelling van liet detachement.
Wat dacht men wel? Kennelijk had Scholten zijn
staatssecretaris niet verteld wat zich onlangs rond de persoon van Kramer had afgespeeld. De plaatsvervangend BLS, generaal-majoor Roos, kwam met een voor alle aanwezigen aanvaardbaar
compromis: de met de PLO sympathiserende dienstplichtige, die de functie van gewondenverzorger
vervulde, werd niet vrijgesteld, maar kreeg een plaatsing waarin hij "maximaal onder controle gehouden kan worden".
Dit in ieders belang. Uiteindelijk zou het anders lopen, want Mesander zag een tweede rekest alsnog ingewilligd.
Bron: "Vredesmacht in
Libanon" De Nederlandse deelname aan UNIFIL 1979-1985
Ben
Schoenmaker, Herman Roozenbeek(redactie), Uitgeverij BOOM
Nederlands Instituut voor Militaire Historie