De armed elements
Infiltraties
Alle bemoeienissen van
UNIFIL met de armed elements waren er uiteindelijk op gericht infiltraties van PLO-strijders of andere groeperingen naar de DFF-enclave of Noord-Israël te
voorkomen. Op die taak werd de vredesmacht afgerekend, met
name door Israël. Hoe succesvol was Dutchbatt op dat vlak?
Eerder is al opgemerkt dat het terrein waarin Dutchbatt opereerde, zich goed leende voor infiltratiepogingen. De grenslijn met de
enclave, die zich over circa twintig kilometer uitstrekte, was bovendien te
lang voor een enkel bataljon. Een complicerende factor was dat de infiltraties
zowel uit de Tyre Pocket als uit de IJzeren Driehoek konden komen. Ten aanzien van dat eerste gebied speelde een
netelig probleem. Fijibatt was in eerste instantie verantwoordelijk
voor het tegenhouden van de PLO-strijders die
daarvandaan kwamen, maar de Nederlanders hadden weinig vertrouwen in dit
bataljon. Terwijl de Fiji's hun vak overdag redelijk
onder controle hadden,waren zij 's nachts aanmerkelijk
minder waakzaam. Naar verluidt waren zij bang in het donker. Daarom richtte Dutchbatt ten zuiden van dit vak maar liefst drie grote
posten in, 7-17, 7-18 en 7-22, van waaruit de plantages in de kuststrook in de
gaten werden gehouden. In de wadi an-Nafkhah vervulde
post 7-7A deze rol. In december 1979 stelde het bataljon plannen op om
infiltratiepogingen beter te kunnen stoppen. Kort gezegd, kwam deze redeployment, die in de eerste helft van
1980 in
de praktijk werd
beproefd, erop neer dat de Alpha-compagnie de posten 7-9
en 7-12 onder bevel zou krijgen en de Paostcie 7-20. Hierdoor
kreeg elk van de drie veldcompagnieen de controle
over een belangrijke infiltratieroute. In de compagniesvakken zouden in de
diepte drie interceptielijnen komen, die bedoeld waren om infiltraties uit
zowel noordelijke als zuidelijke richting op te vangen. Hoewel de redeployment onmiskenbaar
operationele voordelen bood en de goedkeuring van het UNIFIL-hoofdkwartier kreeg, keerde het bataljon medio 1980
toch naar de oude situatie terug. Welke overwegingen
daaraan ten grondslag lagen, is helaas onduidelijk. Enkele elementen uit de
plannen bleven behouden, zoals het achter de hand houden van mobiele reserves
om infiltratiepogingen in de diepte op te vangen. Het kwam er uiteindelijk op
aan infiltranten op te sporen, aan te houden, te ontwapenen en terug te sturen.
Over het opsporen is in een eerder verband al het nodige gezegd. Zodra een
vermoeden bestond dat er infiltranten actief waren, kon een post 'lichtsteun'
aanvragen om het gebied te verlichten. Tegelijkertijd gingen een of soms meer
patrouilles op pad om de infiltranten te onderscheppen. Vaak maakten de armed elements al rechtsomkeert
op het moment dat ze beseften dat ze waren ontdekt. Het streven van Dutchbatt was er evenwel altijd op
gericht de infiltranten aan te houden.Het tegenhouden
van een groep infiltranten vereiste een flinke dosis tact, daadkracht, moed en
geduld. Het verliep zelden volgens het boekje omdat veel armed elements iedere medewerking weigerden, in elk geval
totdat hun liaisonofficier ter plaatse was. Vooral het ontwapenen was een
riskante aangelegenheid. Het was zaak de strijders van meet af aan duidelijk te
maken dat het geen zin had verzet te plegen. De assistentie van een Dutchbatt-tolk lwam dan goed van
pas. Zo nodig mochten de blauwhelmen ter "afremming en afschrikking"
waarschuwingsschoten afvuren, zoals luitenant-kolonel Dijcks zijn compagniescommandanten voorhield. Van PLO-zijde was plechtig verklaard dat onderschepte strijders niet als eersten het vuur
zouden openen, maar deze toezegging werd in de praktijk lang niet altijd
nageleefd. Dutchbatt maakte sinds september 1979 ook
gebruik van traangasgranaten - onderdeel van de rellenbestrijdingsset - om infiltranten te stoppen of van het gebruik van geweld af te houden. De
waarnemers van Team Tyre van de OGL zorgden er in
samenwerking met een PLO-liaisonofficier voor dat de
infiltranten naar hun basis terugkeerden. Dit 'kat-en-muisspel'
ondervond regelmatig inmenging vanuit de enclave van majoor Haddad.
Zodra de DFF lucht kreeg van de aanwezigheid van infiltranten in het UNIFIL-gebied, greep
zij in. Meestal voerde zij een mortier- of
mitrailleurbeschieting uit, soms liet zij een patrouille uitrukken. Op 23 juni
1980 werd de Charliecompagnie met een dergelijke
interventie geconfronteerd. In de vroege morgen meldde een local dat hij in de buurt van al-Mansouri vier armed elements had gezien. Dutchbatt stuurde onmiddellijk een patrouille op de
infiltranten af, maar dezen vluchtten de plantages in. Nadat de Charlie-compagnie de toegangen met YP's had afgesloten, begon de zoektocht in het onoverzichtelijke terrein. Kort
daarop drongen twee halftracks en een jeep van de DFF
al vurend het vak van de compagnie binnen om Dutchbatt te "assisteren, omdat verondersteld werd dat de Nederlanders het niet
alleen afkonden", zoals later werd verklaard. Hoewel de blauwhelmen deze
voertuigen konden tegenhouden, was het kwaad al geschied. Mede door deze actie
wist Dutchbatt slechts twee infiltranten te grijpen,
die bij hun aanhouding nerveus in de lucht schoten. Ook de IDF schroomde niet
het UNIFIL-gebied binnen te gaan, als zij het
vermoeden had dat zich daar PLO'ers ophielden. Op 7
februari 1980 achtervolgde een Israelische patrouille
van circa 25 man met twee halftracks en drie jeeps
een groepje infiltranten tot bij post 715A. Een soortgelijke actie vond plaats
op 2 juni 1980, toen
ongeveer honderd Israëlische militairen het Dutchbatt-gebied binnendrongen en opnieuw tot 7-15A
oprukten. Door de wegen met rn's te bloldceren wisten de Nederlanders te voorkomen dat de Israeliers verder in het yak penetreerden. Omdat zowel de blauwhelmen als de IDF-militairen een confrontatie uit de weg gingen, bleef het daarbij. "Het lijkt
erop", suggereerde chief operations officer De Vogel, "dat de IDF wil bewijzen dat
het eenvoudig is om het UNIFIL gebied binnen te dringen, dat UNIFIL zodoende
nutteloos is en dat UNIFIL maar beter kan verdwijnen." Omdat infiltranten,
die van hun missie terugkeerden, in het UNIFIL-gebied nog niet veilig voor de DFF en de IDF waren, kwam het wel voor dat zij zich
vrijwillig bij een Dutchbatt-post meldden,
bijvoorbeeld als er een zieke of gewonde in hun midden was. Dan waren zij
immers verzekerd van een snelle en behouden terugkeer. Op 29 januari 1981 zond
de Israëlische televisie een interview uit met een tweetal opgepakte
infiltranten, die vertelden hoe ze enkele dagen eerder na een voortijdig
afgebroken missie bij de Dutchbatt-posten 7-6 en
7-15A hadden aangeklopt. In The Jerusalem Post
schreef militaircorrespondent Goodman vervolgens een
venijnig artikel, onder de titel `Impotent peace-keepers',
waarin hij naar het genoemde incident verwees: "They were as good as home once they reached the Dutch battalion."
Gedetailleerde informatie over deze infiltratiepoging, die aan de verhoren van
deze twee gevangengenomen Palestijnen was ontleend,
is te vinden in een inlichtingenrapport van de Sectie Inlichtingen en
Veiligheid van de Landmachtstaf. Deze gegevens waren zo goed als zeker door de
Israëlische militaire inlichtingendienst aan de Nederlandse zusterdienst
doorgespeeld om Dutchbatt op de hoogte te brengen van
de tactieken die de PLO toepaste. De twee PLO'ers behoorden tot een groep vrijwilligers die in november 1980 voor een Fatah-eenheid in de Tyre Pocket
was geworven. Na een maand opleiding kregen zij van Arafats rechterhand Abu
jihad opdracht in een Israëlisch grensdorpje, in de buurt van de OGL-post OP Hin, willekeurige burgers te kidnappen of te
doden. Op 10 december ondernam de groep een eerste poging. Een aantal PLO-strijders ging met twee gidsen per auto naar Zibqin in het Nederlandse vak, waarbij zij onderweg een roadblock vermeden door het voertuig tijdelijk te verlaten
en om de post heen te lopen. Dit was een vaker toegepaste tactiek. In de buurt
van Zibqin schuilden zij in een grot, waarna ze onder
dekking van de duisternis via de wadi an-Nafkhah en
de wadi's bij as-Salihani richting Israël trokken. De DFF-enclave was hier op haar smalst. Toen zij bij de
grens op Israelische patrouilles stuitten, besloten
zij terug te keren, waarbij zij zich, zoals gezegd, bij de eerste de beste Dutchbatt-post meldden. De volgende dag ging opnieuw een
groep op weg, maar deze poging mislukte omdat de gids verdwaalde. Weer een dag
later volgden de infiltranten dezelfde route als bij de eerste poging. Nadat
zij er ditmaal wel in waren geslaagd de grens te passeren, werden zij door een
Israëlische patrouille ontdekt. Tijdens het vuurgevecht dat daarop volgde, kwam
één van hen om het leven; de overige twee vielen in Israëlische handen. Dit
verslag deed weinig recht aan de inspanningen van Dutchbatt - dat was wellicht ook de indruk die de Israëliers wilden wekken -, maar komt op zich niet ongeloofwaardig over. Dutchbatt had sterk het vermoeden, maar heeft nooit
afdoende kunnen bewijzen, dat de armed elements in het UNIFIL-gebied over geheime depots beschikten, waar zij wapens, explosieven en uniformen verborgen. Mogelijk ontdekte de Charlie-compagnie op 16 juni 1980 zo'n opslagplaats, toen zij na een tip
van een local in een verlaten gebouw tussen Majdal Zoun en al-Mansouri enkele uniformen, twee handgranaten, munitie en
vijftien kilo explosieven vond. Met een geldig identiteitsbewijs
kon iedereen overdag het UNIFIL-gebied binnenkomen,
zich van wapens en uitrusting voorzien en 's nachts tot in de enclave of Noord-Israël proberen door te dringen. Het 'vangnet' van Dutchbatt, dat zich vooral op de noordgrens
richtte, was aanzienlijk minder effectief tegen
infiltraties vanuit het eigen gebied. De posten langs de enclavegrens waren
vooral bedoeld om de bewegingen van de DFF gade te slaan en om invallen van die
kant te voorkomen. Hoe een dergelijke operatie kon verlopen, liet een incident
op 19 juli 1981 zien. Bij post 7-18 was op die dag een LNM-liaisonofficier,
Ibrahim Attalah, gepasseerd met in zijn gevolg een
groep ongewapende en in burgerkleding gestoken medestanders. Toen Attalah het gebied weer verliet, ontbraken vijf van hen. De
postcommandant kreeg argwaan en stuurde twee YP-patrouilles erop uit. Deze betrapten de vijf in de plantages terwijl ze bezig waren
militaire uniformen aan te trekken. Ook hadden zij zich inmiddels van wapens voorzien. Zonder veel problemen hielden de Nederlandse militairen de
infiltranten aan en stuurden hen terug naar de Tyre Pocket. Dutchbatt beklaagde zich erover dat Attalah zijn functie had misbruikt, maar hij was zeker niet
de enige die dat deed. Andere liaisonofficieren smokkelden wapens of leidden infiltranten
over de radio door het gebied van UNIFIL. Slechts in een enkel geval was de VN-macht in staat hier tegen op te treden. Mohammed Shaker,
een PLO-officier, werd op verzoek van Naqoura van zijn functie ontheven omdat hij opgepakte
infiltranten stimuleerde zich te verzetten, terwijl het juist zijn taak was om
in overleg met UNIFIL tot een geweldloze oplossing te komen. Om in ieder geval
eerder opgepakte strijders uit het gebied te kunnen weren, stelde de
Nederlandse senior military information officer van UNIFIL, luitenant-kolonel F. Dijkstra, in
oktober 1980 voor gegevens te verzamelen en foto's te maken van alle aangehouden
infiltranten en hen
persona non grata te verklaren.
Hoewel een dergelijk systeem grote voordelen had, ging Naqoura niet tot invoering over. Niet alleen zouden de armed elements er fel tegen gekant zijn, ook was het risico te
groot dat de gegevens in 'verkeerde handen' (DFF en IDF) zouden vallen. De
informatiebeveiliging bij UNIFIL was namelijk bijzonder slecht geregeld. Een
veiligheidsonderzoek in het hoofdkwartier, uitgevoerd door een Nederlands team,
had dat maar al te duidelijk aangetoond. Ook bij Dutchbatt lekten vertrouwelijke gegevens uit. Op verlof in Tel Aviv werd kapitein-tolk Van Uye door een Israëliër aangesproken die - tot verbazing van de Nederlander - de
door hem geschreven inlichtingenrapporten kende en hem met zijn werk
complimenteerde. Op diens verzoek om aanvullende informatie te verschaffen,
ging Van Uye niet in. Overigens had ook de PLO toegang
tot geclassificeerde UNIFIL-stukken. Zo bleek het
kantoor van de PLO-liaisonofficier in Tyrus in bet bezit te zijn van een kopie van het patrouilleschema
van Dutchbatt. Om deze reden week het bataljon soms
opzettelijk af van de vastgelegde en in Naqoura ingediende operationele plannen en schema's. De infiltratiepogingen van de armed elements waren er met
altijd op gericht tot de DFF-enclave of tot Israël
door te dringen. Afgezien van trainingsmissies, ondernamen zij pogingen om
vanuit het UNIFIL-gebied beschietingen op DFF-stellingen of op Noord-Israël uit te voeren. Dergelijke acties, die een enkele keer ook vanuit het vak van Dutchbatt werden ondernomen, brachten UNIFIL ernstig in
verlegenheid, vooral wanneer zij met enkel- of meervoudige raketwerpers, die
onder de verzamelnaam katoesja's bekend staan, werden
uitgevoerd. De inzet van deze wapens nam vanaf begin
1981 in
aantal sterk toe.
Naast types die op voertuigen waren gemonteerd, kregen de armed elements ook de beschikking over geimproviseerde raketwerpers die een groepje infiltranten te voet kon meevoeren. Het bereik van
de projectielen die hiermee werden afgevuurd, was ruim veertig kilometer. Dutchbatt was het eerste bataljon dat dit type signaleerde.
Een opmerkelijke katoesja-beschieting vond plaats op
de avond van 19 juli 1981 - de dag van het incident rond Ibrahim Attalah -, tijdens een periode waarin de IDF/DFF en de PLO
elkaar hevig bestookten. Na een eerdere mislukte poging slaagde een groep van
circa dertig PLO'ers erin door het Fiji-roadblock op de kustweg te breken. Met een viertal
jeeps en een vrachtauto waarop een raketwerper was geplaatst, reden zij door
naar post 7-18 van Dutchbatt. Hier hield de bemanning
van het roadblock hen tegen, ook al dreigden de PLO'ers de Nederlanders neer te schieten. Het dreigement
werd niet uitgevoerd, maar wel vuurden de armed elements ten minste een salvo
raketten naar het zuiden af voordat ze naar de Tyre Pocket terugkeerden. Van alle UNIFIL-bataljons wist Dutchbatt vermoedelijk het vaakst infiltraties van armed elements naar de DFF-enclave en Israël te voorkomen. In zowel 1980 als 1981
verijdelden Nederlandse posten en patrouilles minstens 35 infiltratiepogingen,
waarbij in beide jaren ruim honderd armed
elements werden aangehouden. Hierin speelde ongetwijfeld mee
dat het Nederlandse bataljonsvak wegens zijn terreinkenmerken een grote
aantrekkingskracht op de PLO-strijders en hun
medestanders uitoefende. Het relatieve succes van Dutchbatt was echter voor een belangrijk deel aan zijn kwaliteit en kordate wijze van
optreden te danken. Israëlische officieren erkenden dit, zoals kolonel De Vogel
in september 1980 vernam nadat Nederlandse blauwhelmen opnieuw een
infiltratiepoging hadden afgewezen. "De IDF heeft er een handje van", schreef hij de BLS,
"om Dutchbatt een exclusieve rol toe te dichten.
Ik vind dat we dit
voorzichtig moeten benaderen want hierdoor zou Dutchbatt in een geisoleerde positie t.o.v. de andere bataljons en t.o.v. de andere betrokken partijen
kunnen geraken. Met andere woorden, we lopen de kans om 'het
graf in te worden geprezen'." Tegenover het grote aantal in de kiem
gesmoorde infiltraties stond een moeilijk te schatten aantal pogingen waarbij
de strijders er wel in slaagden het gebied van de DFF of Israel te bereiken. De
meeste Dutchbatters waren het erover eens dat het vanwege
de terreingesteldheid niet mogelijk was het bataljonsvak volledig af te
sluiten. Bataljonscommandant luitenant-kolonel E.P.B. Tomasso vatte het kort samen: "We vingen veel,
maar er kwam ook veel doorheen." Sergeant-majoor P. Filius van de Charlie-compagnie tekende in zijn
teleurstelling over een geslaagde infiltratiepoging het volgende op: "Ik
zelf baal ervan dat het die Palestijnen weer gelukt
is om door ons gebied te rennen zonder dat wij er iets van gemerkt hebben.
(...) Het gebied is te groot voor 1 compagnie. (...) In de kranten staat altijd
dat we zo goed zijn, maar als je de praktijk bekijkt dan zijn we nog niet in
staat om een hond tegen te houden. (...) Laten we in ieder geval patrouilleren
tot we erbij neervallen dan hebben wij tenminste ons
best gedaan." Vanuit het oogpunt van Dutchbatt gold iedere onderschepte infiltratie als een succes. De DFF en de Israeliers kelcen er echter heel
anders tegenaan. Voor hen telden alleen de infiltraties die door de mazen van
het net glipten en daarmee in hun ogen het falen van UNIFIL aantoonden. Om hoeveel gevallen het ging, is, zowel voor UNIFIL in het algemeen
als voor Dutchbatt in het bijzonder, moeilijk uit te
maken. Het heeft er echter alle schijn van dat Dutchbatt aanmerkelijk meer infiltratiepogingen verijdelde dan het doorliet.
Bron: "Vredesmacht in Libanon" De Nederlandse deelname aan UNIFIL 1979-1985
Ben Schoenmaker, Herman Roozenbeek(redactie), Uitgeverij BOOM
Nederlands Instituut voor Militaire Historie