Voorbereiding
en vertrek
Horden
op de heenreis
Door zich
aan UNIFIL te committeren, begaf Nederland zich
onwennig in
een eierdans. Het moest er op bedacht zijn dat in het Midden-Oosten ogenschijnlijk
onbetekenende kwesties erg gevoelig konden liggen. De diplomaten in de regio waren
dan ook op hun hoede. Zo sloeg op 22 januari de ambassade te Beiroet alarm. Een
medewerker had gehoord dat de
journalist Mok VN-voorlichter Sanbar,
die naar verluidt van Palestijnse komaf was,
erop had gewezen dat een deel van de bewapening van Dutchbatt van Israëlische makelij was. Indien dit
bericht op waarheid berustte, dan viel volgens ambassadeur Croin
voor
"negatieve repercussies" te vrezen. Na
navraag bij Defensie bevestigde BuZa dat enkele honderden militairen van het uit te
zenden bataljon over een pistoolmitrailleur van het type Uzi beschikten. Dit wapen was begin jaren zestig in
Israël aangeschaft. Aan dit feit, zo
kreeg Croin uit Den Haag te horen, kon echter geen enkele
politieke betekenis worden gehecht. Het was niet mogelijk de soldaten met andere wapens uit te rusten en
bovendien moest Nederland niet gaan proberen bij voorbaat alle gevoeligheden
van de betrokken partijen te ontzien. In dit geval bleven de gevreesde gevolgen uit. De PLO maakte op geen enkel moment bezwaar tegen het feit dat Nederlandse blauwhelmen met Israëlische
wapens rondliepen. De moeizame manier waarop het vervoer naar Libanon
werd geregeld, was het volgende bewijs dat
ten aanzien van het Midden-Oosten niets eenvoudig was. Nadat de Fransen
hadden toegezegd dat zij hun vertrek tot
medio maart zouden uitstellen, konden de plannen worden gemaakt. Het was de bedoeling dat een zestigtal kwartiermakers
eind februari in Libanon zou arriveren. De KL had aanvankelijk de hoop dat, om tijd uit te sparen, het
vervoer van de dertig voertuigen van
deze advance party door de lucht kon
plaatsvinden, maar de VS verklaarde
desgevraagd niet in staat te zijn hiervoor de benodigde transportvliegtuigen beschikbaar te stellen. Deze afwijzing, die eind januari binnenkwam, hield in dat de
landmacht op het langzame alternatief
van het zeetransport moest terugvallen en op korte termijn scheepsruimte moest zien te huren. Voor de
hoofdmacht stond bij voorbaat vast dat het materieel, waaronder circa
tweehonderd voertuigen en vijftig containers, per schip zou worden overgebracht. De te charteren boot zou rond 1 maart
uit de haven van Rotterdam moeten
vertrekken, waarna het personeel op 10 maart
per vliegtuig de reis richting het Midden-Oosten zou maken. De planning
vereiste dat er snel spijkers met koppen werden geslagen, zeker voor
wat betreft de kwartiermakers. De Interdepartementale Werkgroep, die met de voorbereiding was belast, kon het echter
niet eens worden over de reisroute die het VN-bataljon diende te volgen. De KL was
er om praktische redenen voorstander van personeel en materieel via Tel Aviv naar Libanon te vervoeren. De haven van deze Israëlische stad leende zich goed voor de ontvangst van het scheepstype dat Defensie voor het transport van het materieel
van de hoofdmacht op het oog had,
namelijk een zogeheten roll on-roll off-schip. Een dergelijk vaartuig was, omdat het van een grote laadklep
was voorzien, zeer geschikt voor het in- en
uitladen van voertuigen. Bovendien was de
situatie in Israël gunstig. De Nederlandse militairen zouden hun materieel
in alle rust aan wal kunnen brengen zonder dat zij het risico liepen in gevechtshandelingen
verzeild te raken. Daarna zouden zij in
colonne langs een veilige route naar Libanon kunnen trekken. BuZa gooide echter roet in het eten. Zijn
vertegenwoordigers in de Interdepartementale
Werkgroep betoogden dat Nederland in het Midden-Oosten nog steeds als pro-Israël bekend
stond, zodat zij het politiek niet opportuun achtten Dutchbatt via Israël te laten reizen. Wellicht waren zij geschrokken van de boze reactie
van de PLO op het feit dat de
verkenningsgroep van Hovenier wél die route had genomen. Hoe het ook zij, BuZa gaf de voorkeur aan Beiroet als plaats van aankomst. Omdat het moest erkennen dat de haven van de Libanese hoofdstad op ieder moment onbruikbaar kon worden
"als gevolg van hervatting van
gewelddadigheden", stelde het voor het materieel via Israël en de manschappen via Beiroet te vervoeren.
De politieke logica van dit compromis sloeg bij Defensie niet aan. Het vond een
gescheiden aanvoer te riskant. Zelfs als de luchthaven van Beiroet niet te
gevaarlijk was om te gebruiken - wat betwijfeld werd -, liepen
de Nederlandse militairen de kans dat zij, als gevolg van de in die stad
heersende anarchie, daar zonder materieel vast zouden komen te zitten.
Bovendien zou Dutchbatt,
om zijn plaats van bestemming te bereiken, ongewapend door een
gebied moeten trekken dat door de PLO werd beheerst. De kans op vertraging was daardoor groot. En omdat men er niet op mocht
rekenen dat de Fransen hun vertrek nog
langer zouden uitstellen, dreigde er alsnog tijdelijk een hachelijk machtsvacuum te
ontstaan. Omdat de vertegenwoordigers van BuZa en Defensie er in de Interdepartementale Werkgroep niet uitkwamen, besloten zij
het aan de betrokken ministers over te laten
de patstelling te doorbreken. Omdat de tijd drong, werden zij het er wel over eens dat het
materieel van de kwartiermakers via Haifa zou worden
getransporteerd. Als om te bewijzen dat zij de
regels van het spel reeds onder
de knie had, gaf Defensie aan dat het zaak was, gelet op de ondoorzichtigheid van de scheepvaartwereld,
"extra alert" te zijn bij het charteren van een schip. Dit mocht niet eigendom van een
Israëlisch bedrijf zijn. Dat lukte. Het lijnschip Cap Baitar, dat op13 februari vanuit
Rotterdam vertrok, voer onder
West-Duitse vlag.Toch leverde de reis problemen op. Toen de Cap Baitar op 28 februari
in Haifa werd gelost, vernamen de toegesnelde
dagbladcorrespondenten van de vier
meegereisdeNederlandse militairen dat zich in het laadruim ook veertig afgekeurde Amerikaanse legerjeeps bevonden. Die zouden via een omweg bestemd zijn voor
de DFF. Dit bericht, dat in tal van
kranten verscheen, bracht de betrokken ministeries in verlegenheid. De neutraliteit van UNIFIL was
immers in het geding. PvDa-Kamerlid A.L. ter Beek sprak
onmiddellijk van "een blunder".
Defensie, dat van niets wist, verweerde zich met de verklaring dat het geen verantwoording droeg voor de
rest van de lading in dit particuliere schip. Om de juistheid van het
bericht te achterhalen, stelde BuZa een onderzoek
in. Uit Jeruzalem berichtte ambassadeur Arriëns op 6 maart dat "Israëlische militaire
instanties" hem hadden gemeld
dat die voertuigen niet voor Haddad, doch zo goed als zeker voor de IDF bestemd
waren. Voor de juistheid van die mededeling
kon hij echter niet instaan. Tezelfdertijd vernam BuZa van het Ministerie van Economische
Zaken (EZ) dat de zending niet bestond
uit jeeps, maar uit veertig Dodge 2 3/4 tons vrachtauto's, bestemd voor de firma Sumids Minhar te Tel Aviv.Ambtenaren van EZ meenden
ook te weten dat het ging "om een normaal type vrachtauto voor civiel gebruik, die
slechts in kleur
verschilt van zijn o.a. in de landbouw gebruikte zusje."Vertrouwend op de informatie van EZ, verschenen Van der Klaauw, Scholten en Van Aardenne op 8
maart ontspannen in de Tweede Kamer
om vragen van leden van de fracties van CDA, PPR en PSP over deze zaak te beantwoorden. Volgens de bewindslieden
was er "geen begin van
bewijs" voor het gerucht dat de trucks aan Haddad zouden worden geleverd. Het betrof
hier een transactie in niet-militaire goederen tussen een Nederlandse dumphandelaar en een particuliere firma in Israël. Van een overtreding van het VN-embargo op de verkoop van strategische goederen aan landen die bij het Midden-Oostenconflict
betrokken waren, was geen sprake. In deze voertuigen mocht even vrij worden gehandeld als in bijvoorbeeld
wasmachines. Nederland had zijn neutraliteit dan ook niet te
grabbel gegooid. De hele affaire, zo wilde het kabinet doen geloven, was een storm in een glas water. Het debat,
dat tamelijk rustig verliep, leefde alleen even op toen H.J.G. Waltmans van de PPR het opnieuw waagde van een "lichtzinnige
voorbereiding" te spreken. Het verwijt dat het hier om het zoveelste
voorbeeld van onzorgvuldig handelen ging, werd door Scholten met grote
stelligheid ontkend: "Als er iets met grote zorg, zowel militair-technisch
als politiek, is voorbereid, dan is het wel de uitvoering van het kabinetsbesluit tot
deelneming aan UNIFIL". Hadden de ministers de waarheid gesproken? Bij BuZa was niet iedereen daar zeker van. Op 19 maart seinde Arriëns dat bij de christelijke milities het gerucht de ronde
deed dat Nederland deze strijdgroepen veertig jeeps had geschonken. Daarnaast liet hij
weten dat hij
er nog steeds niet in was geslaagd de firma Sumids Minhar in Tel Aviv te traceren. Was de
naam wel juist gespeld? Op zoek naar meer gegevens over het bedrijf klopte BuZa andermaal bij de collega's van EZ aan. Die waren evenwel niet erg toeschietelijk. Pas na enig aandringen
waren zij bereid nadere informatie te verstrekken. En die was ronduit compromitterend, want de
betrokken Israëlische firma bleek in feite een beschermadres van het
inkoopbureau van de Israëlische
strijdkrachten. Met andere woorden, zo stelde een ambtenaar van BuZa verongelijkt vast, op aangeven van EZ had zijn minister "in de Kamer, althans gedeeltelijk,
een feitelijke onjuistheid (...) medegedeeld." En dat was een politieke doodzonde. Bovendien vroeg de ambtenaar zich af of nog wel van handel in
niet-militaire goederen kon worden gesproken, indien de Amerikaanse
legertrucks aan het Israëlische leger
werden doorverkocht. De verontwaardiging van BuZa ging overigens niet zover dat de Kamer alsnog
juist werd ingelicht. Het kabinet kwam ermee weg, omdat de omstreden voertuigen in Israël uit het zicht
verdwenen, nooit meer opdoken en daardoor niet opnieuw tot lastige
vragen aanleiding gaven.
januari 1979 besloten de betrokken ministers ten aanzien van de
reisroute dat, zoals BuZa had voorgesteld, al het
personeel, inclusief de kwartiermakers, via
Beiroet zou reizen, terwijl het materieel van de hoofdmacht andermaal via Haifa zou
worden aangevoerd. Dit uit respect
voor "de gevoeligheden van alle betrokken partijen". Van gewicht hierbij was dat ook Erskine en Waldheim Beiroet sterk aanbevalen als plaats van
aankomst, omdat - in de woorden van Scheltema - "de indruk moet worden vermeden dat
Israël de toegangsweg is tot UNIFIL,
terwijl toch in feite UNIFIL een vredesmacht is voor en in Libanon." De VN had echter geen bezwaar tegen Haifa als plaats van bestemming voor uitrusting en
voertuigen. Sterker nog, het idee om deze op
40 km
van Naqoura gelegen
haven te gebruiken was Nederland door FOD-directeur Lansky aan de
hand gedaan.
Bij de zoektocht naar een schip voor het vervoer van het
materieel
van de hoofdmacht naar Israël, doemde wederom een onvoorziene hindernis op. Om
zowel politieke - zie
hierboven - als economische redenen ging de voorkeur uit naar een
Nederlandse rederij. Op 2 februari
zocht de directeur van Nedlloyd Lijnen BV contact met BuZa. Dit bedrijf, dat al met de KL en
met het Ministerie van Verkeer en
Waterstaat had gesproken, wilde de opdracht graag in de wacht slepen.
Maar omdat het grote belangen in het Midden-Oosten had, wenste het ervan verzekerd te zijn dat het niet op de zwarte lijst van de
Arabische Liga zou belanden, wanneer het Haifa zou
aandoen. Deze groep van staten had namelijk
een boycot ingesteld tegen bedrijven
die op één of andere manier zakelijke contacten met Israël onderhielden of die
joodse werknemers op de loonlijst hadden staan. Daarom zou
de directeur graag zien dat de Nederlandse regering het schip zou rekwireren of dat het desnoods tijdelijk onder VN-vlag zou gaan varen. Toen BuZa noch het VN-secretariaat een mogelijkheid zag om de rederij van dienst te zijn, haakte Nedlloyd af. Het
benaderen van buitenlandse firma's met roll on-roll off-schepen leverde evenmin resultaat op.
Op een aanbod van Israël om het materieel
voor de helft van de prijs met een Israëlisch schip te vervoeren, kon de KL uiteraard niet ingaan. De
spanning liep op. Om het materieel
van Dutchbatt tijdig in Israël te krijgen, moest er
uiterlijk eind februari worden
ingescheept. In de tweede week van die maand was het zeetransport echter
nog steeds niet geregeld. Navraag in New York had uitgewezen dat de VN geen contacten met het
Arabische boycotbureau onderhield en derhalve niet de garantie kon krijgen dat de vervoerder niet op de zwarte lijst terecht zou komen. Wel kon
de VN een certificaat afgeven waarin
werd verklaard dat het om een dienstverlening uitsluitend ten behoeve van UNIFIL ging. Op 13 februari
begon ook Lansky tekenen van ongeduld te vertonen.
Hij bood - zoals hij ook al eerder had gedaan - bemiddeling
aan. Op de valreep wist de KL echter op eigen kracht alsnog scheepsruimte te
bemachtigen, een Nederlands schip
bovendien, de gloednieuwe Dock Express no.10. Hoewel de eigenaar, Dock Express Shipping bv te Rotterdam, regelmatig op
Israël voer, stelde hij een certificaat van de VN toch op prijs. Dat kon
nooit kwaad. Na afloop van zijn proefvaart koos dit schip, volgeladen met witgespoten VN-materieel, op 28 februari
het ruime sop. Naar verwachting zou het op 10 maart in Haifa aankomen. Terwijl het materieel op zee was,
maakten de mannen van Dutchbatt zich op voor
hun reis naar Libanon. Op 8 maart keerden zij terug van inschepingsverlof en hielden zij een
afscheidsparade door Zuidlaren. "De
meeste jongens hebben zich helemaal kaal laten knippen en de meeste baarden zijn ook verdwenen", schreef dienstplichtig soldaat Piet Geerts in NRC Handelsblad. De
volgende dag kopte De Telegraaf met koeienletters dat maar liefst
negentien man niet op appèl waren
verschenen. Hoewel dit bericht loos
alarm bleek, was het wel tekenend
voor de nerveuze sfeer die er die laatste dagen rond het bataljon hing.
Defensie was bevreesd dat het vertrek door
luidruchtige protesten en enkele ophefmakende `last minute' weigeringen zou worden ontsierd. Mede
daarom werd er op 10 maart, de dag van
het vertrek, op Schiphol streng gecontroleerd. Omdat minister Scholten erop had gestaan dat alle verwanten en bekenden in staat moesten worden gesteld de 750
militairen uit te zwaaien, kreeg het
vertrek tegelijk ook een massaal karakter. Ruim tweeduizend afscheidnemers waren van de partij. Een nog niet geheel
voltooide douaneloods was die dag provisorisch als vertrekhal ingericht. Buiten werd er door onder meer de VVDM gedemonstreerd, maar tot ordeverstoringen kwam het niet. Scholten, die opgelucht was dat alle militairen waren
komen opdagen, hield hun in zijn speech voor dat van hen "onpartijdigheid" en een
"zelfverzekerd, kalm en beheerst" optreden werd verwacht. De Libanongangers waren de toespraken inmiddels zat, zij wilden aan de slag. Na het
afscheid van hun dierbaren gingen zij op weg naar de gereedstaande vliegtuigen, het grote avontuur tegemoet.
Bron: "Vredesmacht in Libanon" De Nederlandse deelname aan UNIFIL 1979-1985
Ben Schoenmaker, Herman Roozenbeek(redactie), Uitgeverij BOOM
Nederlands Instituut voor Militaire Historie