De armed elements
Het incident bij Qana
Binnen UNIFIL had Fijibatt verreweg de meeste problemen met de armed elements. Dat kwam omdat
het bataljonsvak tussen de Tyre Pocket en de IJzeren
Driehoek ingeklemd lag, maar ook omdat de Fiji's,
althans overdag, hun taak op de roadblocks erg strikt
uitvoerden. Bovendien was hun gedrag soms onvoorspelbaar en zochten zij, anders
dan Dutchbatt, vaak de confrontatie op momenten dat onderhandelen nog mogelijk was. Van tijd tot tijd escaleerde de situatie en moest Fijibatt de hulp van de FMR inroepen. Meestal zette
de verschijning van deze reserve, mede dankzij de Nederlandse bijdrage daaraan,
de argumenten van de
UNIFIL-onderhandelaars voldoende kracht bij en keerde de rust terug. Soms dreigde het conflict verder
te escaleren, zoals op 22 augustus 1979. Het incident begon bij een roadblock van de Fiji's, waar
verhitte armed elements het
vuur op de VN-militairen openden.
In de schotenwisseling die volgde, kwam een officier van de LNM om het leven.
Daarop belegerden en beschoten Palestijnse en Libanese strijdgroepen uit de
IJzeren Driehoek een groot aantal Fiji-posten. Ook
het hoofdkwartier van Fijibatt in Qana
werd belaagd. Omdat de situatie verder uit de hand dreigde te lopen, gaf het UNIFIL-hoofdkwartier de aangrenzende bataljons, Dutchbatt en Senbatt, opdracht de
Fiji's te steunen. Het Nederlandse bataljon zette een
aantal YP's in, waaronder twee van de Alpha-compagnie onder leiding van eerste-luitenant
A.W. de Bruin. Deze groep kreeg het bevel de Fiji's
op een post ten oosten van Qana te versterken, in een
gebied met weinig natuurlijke dekking. De Nederlandse blauwhelmen, die
nauwelijks waren voorbereid op wat komen ging, vertrouwden grotendeels op hun
reputatie. Omdat een rendez-vous met de Fiji's was
misgelopen, reden ze zonder actuele informatie over de situatie met open vizier
de post tegemoet, De Bruin voorop in een open jeep. Op het moment dat ze bij
hun bestemming aankwamen, werden ze door de armed elements onder vuur genomen. Daarbij raakten drie
Nederlandse militairen gewond, onder wie De Bruin. Het initiatief lag volledig
bij de armed elements; de Dutchbatters konden niet veel meer doen dan dekking zoeken
en de tegenstander met klein-kaliber- en .50-vuur op
afstand houden, aangezien de YP's weinig bescherming
boden tegen de RPG's van de PLO. Ook het afvoeren van
de gewonden gebeurde onder vuur, waarbij de YP-gewondentransport
zelfs met RPG's werd beschoten. Een UNIFIL-helilcopter bracht hen vervolgens in veiligheid?
Tijdens een gevechtspauze wisten de armed elements achtereenvolgens de Fiji's
en de Nederlanders te overrompelen en te ontwapenen. Dat ging bepaald niet
zachtzinnig. De VN-militairen werden geschopt en
geslagen, en toen zij werden afgevoerd, vuurden de Palestijnen
over hun hoofden. In een PLO-kamp beleefden de circa twintig
Nederlandse militairen vervolgens enkele bange uren, waarbij een aantal van hen
met de dood werd bedreigd en schijnexecuties moest doorstaan. Zij kwamen pas
vrij toen de UNIFIL-onderhandelaars een akkoord met
de PLO bereikten. De Nederlandse militairen keerden met hun voertuigen naar het
Dutchbatt-gebied terug, maar hun wapens, veel
uitrustingsstukken en persoonlijke bezittingen bleven, zoals gebruikelijk in
dergelijke situaties, bij de PLO achter. Pas later kregen ze die terug. De armed elements leden tijdens de
diverse confrontaties van 22 augustus overigens gevoelige verliezen; force commander Erskine schatte het aantal gesneuvelde strijders op
vijftien Het incident bij Qana, dat pijnlijk
duidelijk maakte dat de door de PLO gepredikte medewerking aan UNIFIL als het
erop aankwam uit niets dan "loze kreten" bestond, maakte op Dutchbatt diepe indruk en bracht bij velen een
"machteloze woede" teweeg. Vooral De Bruin was er ernstig aan toe. Hij
raakte voor de rest van
zijn leven
aan een rolstoel gekluisterd. De Dutchbatt-leiding
benadrukte echter dat de Nederlanders zich uitstekend hadden gehouden en dat
hen niets te verwijten viel. Op dat oordeel valt wel iets af te dingen, omdat
de militairen tamelijk onvoorzichtig in de val van de armed
elements waren gelopen. De reacties in de Nederlandse
pers waren opmerkelijk lauw. Alleen in de kop `Gewonden transport Libanon
beschoten' van de Volkskrant zat enige verontwaardiging besloten. De kranten
toonden zich betrokken bij het lot van de gewonde en gevangengenomen
militairen, maar berichtten verder in zakelijke bewoordingen over het incident
en knoopten er geen algemeen oordeel over de positie van Dutchbatt
of UNIFIL aan vast. De PLO van haar kant beschuldigde Fijibatt
ervan het conflict te hebben uitgelokt, maar op het VN-hoofdkwartier
in New York toonde men zich tevreden over de robuuste opstelling van UNIFIL. Ondersecretaris-generaal Urquhart schreef aan Erskine:
"members of UNIFIL have the right to use their weapons in self-defense (...). It should (...) be made clear that one of UNIFIL's main tasks is to prevent infiltration of its area
of operations, especially by armed personnel and that groups which attempt such
infiltration must be held to be prima facie in the wrong. If we were to give up
this fundamental principle, we should have no basis at all on which to
operate." Enkele dagen later liepen
zeven Fiji-militairen in een hinderlaag, waarbij drie
van hen de dood vonden. Hoewel de PLO iedere betrokkenheid ontkende, was
iedereen bij UNIFIL ervan overtuigd dat de armed elements op deze wijze wraak namen voor hun verliezen
tijdens het incident.
Bron: "Vredesmacht in Libanon" De Nederlandse deelname aan UNIFIL 1979-1985
Ben Schoenmaker, Herman Roozenbeek(redactie), Uitgeverij BOOM
Nederlands Instituut voor Militaire Historie