Dutchbatt aan zet
Overname
van de gebiedsverantwoordelijkheid
Op 25
februari 1979 vertrokken de eerste twee militairen van het Nederlandse UNIFIL-bataljon via Beiroet naar het
operatiegebied. Dit waren de commandant van de Delta- of aanvullingsdetachementencompagnie, majoor H.J. Poelhekken, en bataljonsadjudant M.C.G. van Belle. Zij werden
vergezeld door de contingentscommandant, kolonel
Tjassens, en twee medewerkers van de Directie Voorlichting van het
Ministerie van Defensie die aan het contingent waren toegevoegd om de naar verwachting grote persaandacht
in goede banen te leiden. Twee dagen
later volgden de overige 75 kwartiermakers onder commando van majoor
Straatman. Ook zij reisden via Beiroet,
vanwaar de chauffeurs onmiddellijk naar Haifa vertrokken, waar hun voertuigen en het overige materieel inmiddels per schip waren gearriveerd.
De voorbereidingen voor de opvang van de hoofdmacht
gingen op
1 maart van start. De kwartiermakers richtten in al-Yatoun,
op een
steenworp afstand van Haris, een tentenkamp in dat
als hun thuisbasis dienst
deed. Onder de kwartiermakers bevond zich ook een verkenningsgroep, aangevoerd
door de hoofden van de secties inlichtingen
(S2) en operatiën (S3), respectievelijk kapitein E.J. Woessink en majoor J.G.J. van
de Mortel. Zij stelden een voorlopig operatieplan op, dat door het UNIFIL-hoofdkwartier zonder wijzigingen werd goedgekeurd.
Ter ondersteuning was een tolk Arabisch ingedeeld, reserve-tweede-luitenant (later
kapitein) R.H.W. van Uye.
De kwartiermakers werden al
snel met de wrede werkelijkheid van Libanon
geconfronteerd. Op 5 maart waren zij in al-Yatoun getuige
van een tragisch ongeval. Drie kinderen kwamen om het leven toen zij met een in de omgeving neergekomen granaat
aan het spelen waren. Bijna evenveel
indruk maakte een dag later de nasleep van dit incident. Toen een aantal burgers uit de enclave van majoor Haddad de begrafenis wilde bijwonen, mengde een DFF-patrouille zich onder hen in de hoop zo het bataljonsvak binnen te dringen. De Franse VN-militairen, die de patrouille bij het dorp Sribbin tegenhielden, wisten ternauwernood een escalatie te voorkomen. Opmerkelijker nog
dan de handelwijze van de DFF, was de aanwezigheid van een IDFofficier die nadrukkelijk op de voorgrond was getreden en
de Fransen had bedreigd. Het was de
eerste, maar zeker niet de laatste keer
sinds maart 1978 dat de IDF zo openlijk de confrontatie met UNIFIL aanging. Tjassens, die dit incident en de
vrijwel dagelijkse beschietingen in het
gebied aan de Landmachtstaf meldde, gaf daarbij te verstaan dat er "beslist geen paniek" was, hoogstens "reden tot gerechtvaardigde bezorgdheid. Moreel bij NL-detachement beslist goed."
De hoofdmacht van Dutchbatt, die op 10 maart
van Schiphol was vertrokken, werd in
Beiroet door UNIFIL-commandant Erskine opgewacht en welkom geheten. Na een overnachting
op het vliegveld brachten Franse UNIFIL-voertuigen de Nederlandse militairen naar het operatiegebied, waarbij zij onderweg diverse
posten van Palestijnse strijdgroepen passeerden. De Dutchbatt-chauffeurs reisden door naar Haifa om de voertuigen, het overige materieel en de
voorraden op te halen. De rest trok naar het toekomstige bataljonsvak, waar pamfletten van majoor Haddad hen begroetten. De DFF-leider wenste de
Nederlanders "het allerbeste" en beloofde met hen te zullen samenwerken. Wat men ook van deze boodschap dacht, het was
een opluchting dat Haddad zich niet gewapenderhand tegen de komst van de Nederlanders verzette, zoals vooraf bij
UNIFIL werd gevreesd.
De Dutchbatters hadden krap vier dagen de tijd om zich op de overname van het gebied voor te
bereiden. Zij kregen derhalve geen gelegenheid rustig aan de omgeving te wennen. Vanaf de eerste dag moest er hard worden gewerkt. Bij het leeghalen
van de vijftig containers verleende een `ontpakkingsploeg'
uit Nederland, die tijdelijk aan het bataljon was toegevoegd,
waardevolle ondersteuning. Een probleem bij
dit werk was dat het bataljon nauwelijks zicht had op wat in welke container zat. Als eerste, zo
herinnert bataljonscommandant Lensink zich, kwam het serviesgoed voor de
officiersmess te voorschijn. Frustrerend was
ook dat het materieel niet per compagnie
was ingepakt.- Het grote aantal posten waarover het bataljon werd verspreid, maakte de ontplooiing nog
complexer. Tegelijkertijd moesten de
militairen met het operatiegebied vertrouwd
raken. Samen met de Fransen liepen zij
patrouilles, waarbij vitale informatie,
zoals de loop van de belangrijkste infiltratieroutes en de locaties van kampen
en posten van de strijdende partijen, werd overgedragen. Tussen de bedrijven
door verzorgde Dutchbatt in Naqoura een volgens Tjassens "zeer geslaagde" demonstratie van zijn materieel
aan Erskine en zijn staf.
Hoezeer
UNIFIL ook onder de indruk was van het materieel waarover de Nederlanders
beschikten, vanaf het begin was duidelijk dat er voor deze zware uitrusting een prijs moest worden betaald. Dutchbatt was weliswaar met afstand het grootste UNIFIL-bataljon, maar
een aanzienlijk deel van deze sterkte was nodig voor de
logistieke ondersteuning. Als het op de uitvoering van de primaire taak aankwam, kon het minder
manschappen inzetten dan het kleinere Frenchbatt. Dit effect werd nog versterkt doordat een groep van 45
militairen om uiteenlopende redenen in
Nederland was achtergebleven. Omdat
het op korte termijn niet mogelijk was het aantal infanteristen uit te breiden, moest Dutchbatt roeien met de riemen die het had. Of zoals
het onderdeelsblaadje Dubbel Vier in zijn eerste
editie schreef: "roeien met de riemen die nog in de container
zitten".
UNIFIL
kwam Dutchbatt enigszins tegemoet door het
bataljonsvak in omvang te
verkleinen; het stadje Jwayyah en omgeving werden aan het Senegalese bataljon overgedragen. Daarmee was het probleem echter nog niet uit de wereld. Slechts door de staf- en verzorgingscompagnie
rond Haris een eigen vak te geven en het personeel van
deze eenheid en dat van de Delta-compagnie naast hun
eigenlijke functie ook infanterietaken op te
dragen, kon Dutchbatt aan de verwachtingen
voldoen. Het gevolg van deze oplossing was wel dat de verzorgende taken, waaronder het onderhoud en het herstel van het materieel, voorlopig
op het tweede plan kwamen. Bovendien moest
iedereen uitzonderlijk lange dagen (en nachten) maken. Op 14 maart was Dutchbatt zover dat het, geheel volgens plan, de ge-
biedsverantwoordelijkheid kon aanvaarden.
Zonder veel ceremonieel nam luitenant-kolonel Lensink om vier uur 's middags het vak van zijn Franse
collega over, waarna Frenchbatt zijn posten ontruimde en de nieuwe
bewoners er hun intrek namen. Evenals de ontplooiing in het gebied enkele dagen eerder, verliep ook deze operatie zonder incidenten. De moeilijkste fase moest
uiteraard nog komen, omdat verwacht
mocht worden dat de strijdende partijen Dutchbatt danig op de proef zouden stellen. Op het vliegveld van Beiroet had Erskine daarvoor al gewaarschuwd.
Bron: "Vredesmacht in Libanon" De Nederlandse deelname aan UNIFIL 1979-1985
Ben Schoenmaker, Herman Roozenbeek(redactie), Uitgeverij BOOM
Nederlands Instituut voor Militaire Historie