
|
|
nummer 9 / november 2004 |
Veteraneninstituut peilt publieke opinie
Libanon ‘in de lift’
De
waardering voor het optreden in Libanon is de afgelopen paar jaar toegenomen,
Dat geldt zowel voor de rol van Nederland in het algemeen, aIs voor de inzet van
de militairen. Tegelijkertijd is de
bekendheid met de UNIFIL-missie enigszins afgenomen. Een soortgelijke ontwikkeling
is te zien bij de politionele acties in
voormalig Nederlands-Indië. Dat blijkt uit het jaarlijks opinieonderzoek van
het Veteraneninstituut.
Door: Jan Schoenvan
Foto: Gerard Verresen
anaf
2000 onderzoekt het Veteraneninstituut (Vi) in samenwerking met
Blauw Research BV jaarlijks de maatschappelijke opvattingen omtrent
veteranen. Historie en actualiteit lopen daarbij regelmatig door elkaar, zeker waar het gaat om nog lopende operaties. Centrale onderzoeksvragen: wat
weet de samenleving van al die
militaire operaties waar Nederland
aan meedeed en hoe worden de
(ex-)militairen die eraan hebben deelgenomen
nu precies gewaardeerd? De antwoorden daarop zijn belangrijke bouwstenen bij de
vaststelling hoe het anno 2004 is gesteld met de maatschappelijke waardering
voor veteranen. Evenals in 2002 en
2003 zijn ook dit jaar de resultaten verkregen door middel van een online dataverzameling. Het veldwerk, waaraan werd deelgenomen door 1.099 Nederlanders van 18 jaar en ouder, vond plaats tussen 8 en 20 september. De onderzoeksresultaten zijn representatief voor de gehele volwassen Nederlandse
bevolking wat betreft geslacht, leeftijd, opleidingsniveau en politieke voorkeur.
Bekend
en bemind?
Om
de meningen over veteranen in een breder en begrijpelijker kader te plaatsen, is het
zinvol ook de houding ten opzichte van de huidige krijgsmacht te peilen. Een paar aansprekende
resultaten: meer dan 80 procent van de
bevolking geeft aan die krijgsmacht `nodig' dan wel `een noodzakelijk kwaad' te vinden. Het bestaansrecht van de organisatie wordt daarmee dus heel
breed onderschreven. In aanvulling hierop geeft bijna tweederde van de ondervraagden aan (veel) vertrouwen te hebben in de krijgsmacht. Tussen `noodzaak' en `vertrouwen' bestaat een positief verband: Nederlanders die van mening zijn dat het bestaan van een krijgsmacht
noodzakelijk is, hebben tevens een
bovengemiddeld vertrouwen in die
organisatie. Het overgrote deel van de samenleving geeft aan op de hoogte te zijn van de inzet van
Nederlandse militairen in Irak (98
procent), de Tweede Wereldoorlog (96
procent), de politionele acties in Indonesië
(92 procent) en de missie in Srebrenica (91 procent). De UNIFIL-missie tussen 1979 en
1985 in
Libanon scoort op dit punt gemiddeld
met een bekendheid van 58 procent.
Relatief onbekend is het optreden in Cambodja begin jaren negentig: maar
een kwart van de bevolking zegt daarvan
gehoord te hebben. Aan diegenen die aangaven van een bepaald optreden op de hoogte te zijn, werd vervolgens ook gevraagd hoe
terecht
men die inzet vond. Vrijwel de gehele samenleving (95 procent) onderschrijft de
inzet van Nederlandse militairen tijdens de Tweede Wereldoorlog. De terechtheid
van de optredens in Indië,
Libanon, Cambodja en Srebrenica wordt daarentegen telkens door tussen de 20 en 25 procent van de ondervraagden in twijfel getrokken. Opvallende uitschieter
op dit punt is Irak, de missie waarvan de eerste veteranen zich bij het Veteraneninstituut hebben gemeld. De inzet daar
wordt door 41 procent als `niet terecht' bestempeld, waarmee .,~ deze
uitzending significant zelfs méér omstreden is dan optredens -zoals in Indië
en Srebrenica - waarvan we terugblikkend
de dramatische afloop kennen. Bij nadere
beschouwing van de resultaten blijkt
overigens dat vrouwen militaire inzet vaker als `onterecht' bestempelen. Ook politieke voorkeur is hier van invloed: zo vinden CDA- en VVD-stemmers vaker dan gemiddeld de inzet van
Nederlandse militairen terecht. Vooral de missie in Irak kan op bovengemiddelde steun rekenen bij deze twee groepen.
Waardering
Zoals
ieder jaar werd ook in dit onderzoek weer stilgestaan bij het verschil tussen
enerzijds de waardering voor de rol van Nederland in het algemeen en
anderzijds de waardering voor de ingezette militairen. Ook dit jaar blijkt
de waardering voor de militairen zelf weer (beduidend) hoger te zijn
dan de waardering voor de rol van Nederland. Misschien niet echt
verrassend: CDA-stemmers noemen de Nederlandse rol in Irak meer dan gemiddeld
`eervol', terwijl SP-aanhangers die rol bovengemiddeld als `oneervol' ervaren.
Deze laatste groep heeft ook minder vaak waardering voor de
betrokken militairen. Misschien wel verrassend: ondanks het feit dat een
groot deel van de bevolking de Nederlandse inzet `niet terecht' vindt, wordt - nu we er eenmaal
zijn - in de publieke beleving klaarblijkelijk toch goed en eervol werk geleverd. Het is
vervolgens aardig stil te staan bij de vraag of er zich opvallende veranderingen in
die waardering hebben voorgedaan. Bij wijze van voorbeeld staat hieronder
weergegeven het percentage landgenoten dat de afgelopen jaren met
`(veel) waardering' aankeek tegen de Nederlandse betrokkenheid bij de
UNIFIL-operatie in Libanon en tegen de Libanongangers zelf: Verheugende
conclusie: Libanon zit dus op beide fronten `in de lift'. En dat ondanks het
feit dat de bekendheid met deze missie gedurende deze periode niet toenam.
In 2002 gaf namelijk 61 procent van de Nederlanders aan dit optreden te
kennen, in 2003 lag dat cijfer op 59 procent en in september 2004 op 58
procent. Een vergelijkbare ontwikkeling tekent zich af rond de deelnemers aan de
politionele acties in voormalig Nederlands-Indië. Daar waar namelijk de maatschappelijke bekendheid met onze dekolonisatieoorlog geleidelijk iets
afneemt (van 95 procent in 2002 tot 91
procent nu) zie je de categorie
`(veel) waardering' voor de Indiëgangers
zelf flink groeien, namelijk van 52
procent in 2002, via 61 procent in
2003 tot 63 procent in september 2004. Ook over de rol van Nederland wordt milder geoordeeld dan voorheen: in 2002 werd die door 32 procent van de ondervraagden als `(zeer) eervol' getypeerd en dat cijfers ontwikkelde zich via 37 procent in 2003 tot 42
procent momenteel.
Stellingen
Overigens
is er niet naar aanleiding van alle uitkomsten reden tot grote feestvreugde. Zo wordt
jaarlijks aan de bevolking ook gevraagd te reageren op een aantal
stellingen. Dit jaar luidde één daarvan "Een groot deel van de Nederlandse
veteranen is psychisch beschadigd." Alhoewel niet precies duidelijk is hoe
`een groot deel' moet worden geïnterpreteerd, gaf maar liefst 69 procent van de
ondervraagden aan het daarmee eens te zijn en de juistheid van die stelling
werd door slechts 14 procent in twijfel getrokken (zie hierover tevens de
column van Vi-voorzitter Martin Zijlstra op pagina 23). Ook hier laat zich een verschil tussen de
seksen vaststellen: van de mannen is 63 procent het met deze opvatting eens, terwijl dat cijfer bij vrouwen iets boven de 75 procent ligt.
Zo'n
verschil zie je minder bij de antwoorden op de stelling "Het is
terecht dat in Nederland een landelijke Veteranendag wordt ingesteld." Die
wordt namelijk in het algemeen onderschreven door 78 procent van de bevolking.
Bij de groep vrouwen ligt dat percentage op 81 procent, bij de mannen op 76 procent.
Overigens ontwikkelt dit cijfer zich wel in positieve zin, want vorig jaar
september vond nog 68 procent van de ondervraagden die dag een goede zaak. Als
positief mag ook gelden dat maar liefst 71 procent van alle Nederlanders
instemt met de stelling "Ik vind dat in het onderwijs meer aandacht moet
worden besteed aan veteranen en het Nederlandse militaire verleden." Het
percentage tegenstemmers bedroeg hier 18, terwijl 11 procent geen mening gaf.
Beeldvorming
Een
min of meer perfecte verdeeldheid binnen de samenleving kun je ten slotte
constateren in het antwoordpatroon op de stelling "Mijn mening over Nederlandse
veteranen is het afgelopen jaar positief veranderd." Deze opvatting wordt
beaamd door 32 procent, terwijl 33 procent ontkent. De overige 35 procent heeft
of geeft geen mening. Het is te hopen dat er, als gevolg van de aanstaande Nederlandse Veteranendag op 29 juni 2005, alle publiciteit daaromtrent en de bovengenoemde wens naar meer onderwijsaandacht voor veteranen, in
brede kring een meer realistisch antwoord kan ontstaan op de vraag welke gevolgen de uitzending naar
conflictgebieden nu precies heeft voor
militairen. De beeldvorming rond Nederlandse
veteranen zou namelijk positief
worden beïnvloed als natiebreed duidelijk wordt dat rond de 20 procent van de veteranen hinderlijke naweeën van de militaire inzet ondervindt
en dat aan de andere kant zo'n 80 procent van
hen die inzet gedurende de rest van het leven als een waardevolle ervaring
beschouwd.

|
|
nummer 9 / november 2004 |
Terug naar boven
Terug naar het
overzicht