NAMENLIJST UNIFILLERS
CHECKPOINT
VREDESMACHT IN LIBANON
FOTOGALLERIJ
WOORDENLIJST
INCIDENTENLIJST
HISTORIE
KNIPSELKRANT
DOWNLOADS
GASTENBOEK
CREDITS
 
UNIFIL FILMS
UNIFIL LINKS
UNIFIL FORUM
 
Veteraneninstituut Veteraneninstituut
 
SiteMap Mail Ons Ga naar de StartPagina

nummer 9 / november 2004

 

Inspecteur-Generaal Van Baal op Libanonsymposium t.g.v. twintig jaar BNMO-Centrum

 

'Definitie veteraan uitgebreid'

 

De door het ministerie van Defensie gehanteerde definitie van veteraan moet zodanig uitgebreid worden dat militairen in actieve dienst er ook onder vallen. Aldus Inspecteur der Vetera­nen luitenant-generaal Van Baal tijdens het symposium over 25 jaar UNIFIL, dat op 24 oktober werd gehouden ter gelegen­heid van het twintigjarig bestaan van het BNMO-Centrum in Doorn. Tijdens het symposium werd nog eens duidelijk dat in de nazorg van Libanonveteranen tekort is geschoten.

 

Tekst: Fred Lardenoye

 

I

k had vlak na terugkeer uit Libanon al de eerste klachten. Er werd gezegd dat ik me moest melden bij dokter Wertheim van de Sectie Individuele Hulpverlening. Maar mijn comman­dant zei: die geitenwollen-sokken-club, daar moet je niet heengaan. Ik ben uiteinde­lijk toch gegaan en ze hebben mij uitste­kend geholpen. Ik weet nu hoe ik er mee om moet gaan en ga nog steeds regelmatig mijn hoofd leeg lopen." Aldus een Libanonveteraan op het sym­posium `Verandering in uitzending en nazorg', dat op 24 oktober gehouden werd ter gelegenheid van het twintigjarig bestaan van de BNMO-centrum in Doorn. Als er één ding duidelijk werd tijdens de goed bezochte bijeenkomst, dan is het wel dat de nazorg voor uitge­zonden militairen destijds ernstig tekort schoot. Libanonveteraan Do Schat: "Wij kwamen gelijk na terugkeer uit Libanon bij elkaar met de hele groep en dan werd er gevraagd: heb je problemen? Als je dan 'ja' zei, dan moest je blijven. Dus zei iedereen `nee', want je wilde natuurlijk gelijk naar huis."

Voorhoedefunctie

Paul Zevenbergen, voorzitter van het BNMO-Centrum, die het symposium opende had al gerefereerd aan de pio­nierfunctie van de Libanonveteranen: "Uw missie staat in de voorhoede van de Nederlandse deelname aan internationale militaire en vredesmissies. Uw missie is een belangrijk vertrekpunt voor veel van wat wij hier in het Cen­trum doen en nog willen gaan doen." Zevenbergen kondigde aan dat het BNMO-Centrum onder meer door een verdieping van de samenwerking in het Veteraneninstituut een breder zorgaan­bod wil gaan bieden. Daarbij worden andere beroepsgroepen die met trauma­tische ervaringen te maken hebben betrokken en wil het Centrum ook een rol spelen bij de voorbereiding van militairen die worden uitgezonden. Bij aanvang van de uitzending van Nederlandse militairen naar Libanon in het kader van de United Nations Interim Force in Lebanon (UNIFIL) stond de nazorg nog in de kinderschoenen, of zoals een van de aanwezige veteranen het verwoordde: "Toen wij in 1979 weg­gingen was er nog niks op dat gebied." Tussen 1979 en 1985 zouden in totaal ruim 8.500 militairen worden uitgezon­den naar Libanon, eerst in bataljonsver­band (met als basis het 44 Pantserin­fanteriebataljon uit Zuid-Laren) met de naam Dutchbatt, vanaf oktober 1983 in de vorm van een compagnie onder de naam Dutchcoy. Overigens al die tijd bij­gestaan door Nederlandse, veelal mili­taire, waarnemers in het kader van de UN Truce Supervision Organization (UNTSO), die al vanaf 1956 in het gebied opereren. In totaal zouden negen Nederlandse Unifillers om het leven komen, een veelvoud daarvan raakte gewond, in een aantal gevallen was er sprake van blijvend letsel.

 

Onderzoek

Tijdens het symposium werd ook inge­gaan op een groot onderzoek onder Libanonveteranen dat het Veteranen­instituut de afgelopen drie jaar heeft gehouden. Hoewel de uitkomsten pas in mei volgend jaar worden gepubliceerd, is al wel duidelijk dat het een hoop heeft losgemaakt. Joanne Mouthaan, die het onderzoek uitvoerde, was verrast door de enorme response. In totaal wer­den bijna drieduizend Libanonveteranen aangeschreven, waarvan er 1.834 uit-eindelijk aan het onderzoek meededen. Mouthaan: "De grootste bulk van de vragenlijsten verstuurden we eind januari, zo'n 2.500. Binnen vier weken kwamen daar al 1.500 vragenlijsten van terug. Er zaten hele schrijnende geval­len tussen. Soms schreven ze letterlijk: ik zie geen uitweg meer. Het viel me ook op dat veel mensen opschreven dat hun kinderen hen ervan weerhielden om erge dingen te doen. Maar in de eerste weken zaten juist ook de men­sen die heel positief waren, dus die extremen reageerden snel." Vanaf de eerste reacties bleek al dat er ook duidelijke hulpvragen werden gesteld. "Ik denk dat zo'n twintig per­sonen actief zijn benaderd om te vra­gen of ze daadwerkelijk behoefte had­den aan hulp en dat bleek ook vaak het geval. Dat komt natuurlijk ook omdat sommige vragen nare herinneringen kunnen oproepen. Daarom hadden we van tevoren zorginstellingen gewaar­schuwd. Een stuk of vier Unifillers lieten weten dat zij de vragenlijst niet konden invullen omdat ze er te zeer van streek door raakten. Daar voelden ze zich zelfs schuldig over, omdat ze het wel heel belangrijk vonden. Zij waren overigens al in behandeling." Een dergelijk veelomvattend onderzoek onder Libanonveteranen (de respon­denten moesten maar liefst veertig bladzijden invullen) is nooit eerder gedaan. Hoewel Mouthaan nog geen inzicht wil geven in de uitkomsten, licht zij een tipje van de sluier op. "Opvallend is dat Unifillers erg betrok­ken zijn bij het veteranenbeleid en de veteranenzorg, met name rond nieuwe veteranen. Zij hadden het al over een veteranendraaginsigne voordat de Kamer erover sprak." Resultaten met betrekking tot klachten onder de Uni­fillers staan nog niet helemaal vast, maar Mouthaan heeft al wel een opmerkelijke conclusie. "Ik zou de toe­stand van de Libanonveteranen willen omschrijven als `zorgelijk'. Het meren­deel van de Unifillers die aan het onderzoek hebben deelgenomen is houder van de Veteranenpas. Maar wat opvalt is dat ook zij niet goed weten waar ze hulp kunnen krijgen. Blijkbaar is de informatie daarover vanuit het Veteraneninstituut onvoldoende."

Registratie

Uit het onderzoek is ook gebleken dat er onder de voormalige Nederlandse Unifillers een sterke behoefte bestaat om (weer) met elkaar contact te heb­ben. Martin Elands, medewerker van het Kennis- en onderzoekscentrum van het Veteraneninstituut, schetste op het symposium een beeld van het gebrek aan organisatie onder de Libanongangers. Hoewel bataljonscommandant Van Tol al in 1981 de behoefte peilde aan een vereniging van oud-Libanon­gangers, zou het tot 1999 duren voor­dat de Nederlandse UNIFIL-Vereniging (NUV) werd opgericht. De NUV telt anno 2004 zo'n 500 leden, nog geen zes procent van het totale aantal Liba­nonveteranen. Een nog kleiner aantal is lid van de Bond van Wapenbroeders. Dat gebrek aan organisatie maakt het ook moeilijk om reunies in een groter verband te organiseren, iets wat nog versterkt wordt door het gebrek aan een deugdelijke administratie van Defensie. Het in de onlangs verschenen personeelsbrief van Defensie aangekon­digde beleid om een goede veteranen­administratie te gaan opzetten, komt voor Libanongangers te laat. Zo waren er bij het Veteraneninstituut begin dit jaar slechts 2.500 Libanonveteranen ingeschreven. Dankzij de publiciteit rond de grote landelijke reunie, die op 27 november plaatsvindt, is dit aantal gestegen tot circa 3.000, maar dat bete­kent nog altijd dat er zo'n 5.500 voor­malige Unifillers ontbreken. Kolonel b.d. Lensink, commandant van Dutch­batt in 1979, wees er tijdens zijn lezing op het symposium al op: "Veel Unifil­Iers weten niet eens dat zij veteraan zijn." Kritiek dus op het beleid van Defensie. Inspecteur der Veteranen, tevens Inspec­teur-Generaal der Krijgsmacht, luitenant­generaal van Baal merkte in een reactie op dat hij het niet tot zijn taak acht om dat beleid te verdedigen. "Maar het behoort wel tot mijn taak om te advise­ren over aanpassingen in dat beleid. Een verandering in dat beleid is dat de terug­houdendheid die Defensie tot nu toe betracht heeft om naar de behoefte aan zorg te informeren nu terzijde gescho­ven wordt. Defensie wil de zorg nadruk­kelijk naar zich toetrekken." Van Baal bleek ook de opmerkingen over de behoeftes aan reunies en de versnippe­ring daarvan, die dreigt door het feit dat Nederlandse VN-bijdrages vaak bestaan uit `samengeraapte eenheden', goed te hebben opgepikt. "Ik kan niet sterk genoeg benadrukken dat binding met eenheden van verschillende niveaus alleen maar kan lopen via de regiments­binding. Kijk bijvoorbeeld maar naar het Korps Mariniers en de Stoottroepen." De conclusie die Van Baal daaruit trok, zorgde voor een belangrijk advies voor Defensie met betrekking tot actieve militairen. "We moeten heel nadrukke­lijk kijken naar de definitie van veteraan. Zoals hij nu gehanteerd wordt, is hij te beperkt. Juist vanwege het belang dat toegekend moet worden aan het regi­mentsverband waarin eenheden worden uitgezonden, moetje militairen meteen na de uitzending veteraan maken en hem of haar daarmee gelijk ook die erkenning geven."

 

nummer 9 / november 2004

Terug naar boven

Terug naar het overzicht 

 

 

SiteMap Mail Ons Ga naar de StartPagina Veteraneninstituut

Veteraneninstituut