NAMENLIJST UNIFILLERS
CHECKPOINT
VREDESMACHT IN LIBANON
FOTOGALLERIJ
WOORDENLIJST
INCIDENTENLIJST
HISTORIE
KNIPSELKRANT
DOWNLOADS
GASTENBOEK
CREDITS
 
UNIFIL FILMS
UNIFIL LINKS
UNIFIL FORUM
 
Veteraneninstituut Veteraneninstituut
 
SiteMap Mail Ons Ga naar de StartPagina

Libanonveteranen gaan terug naar plek waar kameraad het leven liet

 

‘Ik wens één ding: laat het hier vrede blijven’

 

9 November 1979 was een zwarte dag in de geschiedenis van de Nederlandse militairen die deel uitmaakten van United Nations Interim Force in Lebanon (UNIFIL). Op die dag reed een drietonner nietsvermoedend op een van de twee antitankmijnen die in een papieren cementzak moedwillig waren neergelegd op de vaste route tussen twee Nederlandse UNIFIL-posten. Oud­Unifillers Willem van Beek en Roy Smits waren allebei vanuit een ander perspectief ooggetuige van dit voor sergeant Philip de Koning fatale incident. 25 Jaar later besloten zij, zonder dat zij het van elkaar wisten, samen met een groep Libanonveteranen terug te keren naar de onheilsplek.

 

Door: Fred Lardenoye

 

 

H

et tafereel grijpt alle reizigers aan. Ze staan rond de bus, die aan de verlaten kustweg ergens in het zuiden van Libanon is gestopt. Eerst is er de getraumatiseerde Libanonveteraan Roy Smits (44) die aan zijn moeder uit­legt waar zijn post 7-1-A gelegen was in november 1979. Hij beschrijft waar de drietonner het pad opreed, vlak voor het fatale ongeval waarbij sergeant De Koning om het leven kwam. Met een krans in zijn hand loopt hij naar de plek op het pad waar een Belgische antitank­mijn een einde maakte aan het leven van zijn kameraad, die op de plaats zat waar hij had moeten zitten. Als hij het bloemstuk 25 jaar na dato neerlegt, wordt het hem te veel. Geëmotioneerd draait hij zich om en loopt terug. Op hetzelfde moment vertelt voormalig korporaal Willem van Beek (47) hon­derd meter verderop aan vrouw en kin­deren waar zijn post 7-19 zich bevond. De kinderen hangen aan zijn lippen, maar behalve de schuilkelder, die van­wege de ligging niet bruikbaar was, is er nauwelijks iets terug te vinden. Al 25 jaar weet het gezin dat vader het zo rond 9 november altijd moeilijk heeft vanwege `het ongeluk'. Ogenschijnlijk rustig legt Van Beek voor het eerst ter plekke uit hoe hij achterop de drieton­ner sprong om er even later in paniek weer af te duiken na een doffe knal. Als hij met zijn gezin terugloopt naar de bus en geconfronteerd wordt met de door Smits achtergelaten krans, wordt ook hij overmand door emoties. Zijn echtgenote en kinderen troosten hem.

 

Patrouilleren en observeren

Twee Libanonveteranen, twee verhalen. Dat van Roy Smits begint als hij op nog maar 17-jarige leeftijd vervroegd in dienst mag in het voorjaar van 1979. Hij komt op in Assen en twijfelt geen moment als de gelegenheid zich voor­doet om naar Libanon te gaan. "Op naar het land waar de arme burgers, die de dupe waren geworden van het oorlogs­geweld, geholpen moesten worden", zal hij later op zijn website schrijven. De twijfel over de vraag of de oorlog wel afgelopen is, begint al op het vliegveld van Beiroet, dat ontsierd wordt door karkassen van uitgebrande toestellen van de Libanese luchtvaartmaatschappij. Smits: "En dat het daar 25 graden was, zoals ons was voorgespiegeld, klopte ook niet. Het was meer richting 50." De dienstplichtige, inmiddels bevorderd tot korporaal, komt in september 1979 terecht op Post 7-1-A, vlakbij de kust in Zuid-Libanon. Een gebied waar feitelijk de pro-Israëlische militie van majoor Haddad de scepter zwaait. Smits: "Daar heb ik mij vervolgens maandenlang aan kunnen ergeren."

Tegelijkertijd maakt korporaal Willem van Beek op een steenworp afstand kwartier op post 7-19. Van Beek, met zijn 21 jaar al wat ouder, begint militairgezien niet geheel onvoorbereid aan zijn missie. "Ik had daarvoor al bijna negen maanden in Seedorf gezeten. Daar draaiden we veel oefeningen. Alleen van de Libanese bevolking wist ik nagenoeg niks." Het werk van de Nederlandse Unifillers op deze posten bestaat voornamelijk uit waarnemen en patrouilles lopen. Van Beek: "Onze hoofdtaak was eigenlijk puur ondersteuning met de mortieren. Zelf was ik korporaal opmeter, ik zat in het vuurregelcentrum van het mortier­peloton. Maar in de praktijk ontaardde het in pure infanterietaken." De posten worden regelmatig beschoten, maar de schuilkelder ligt te ver weg. Van Beek: "We moesten dan kiezen voor een alarmopstelling, onze bescherming bestond vooral uit zelf opgeworpen zandzakken."

 

Droge knal

Roy Smits herinnert zich de voorge­schiedenis van het fatale ongeluk nog heel goed. "Ik kwam eigenlijk nooit van de post af en over de radio werd verteld dat iemand van 7-1-A met keukentrans­port mee mocht naar Haris. Ik ben alle manschappen afgegaan en iedereen was al geweest, dus mijn conclusie was snel getrokken: ik mocht mee. Die nacht ervoor had ik wachtdienst. Via de radio hoorde ik: `We hebben een vervelend bericht voor je: je mag niet mee. Er is iemand jarig en die gaat mee.' Dat bleek Philip de Koning te zijn. Ik kende hem goed, dus ik was blij voor hem." Rond zes uur 's ochtend ziet Smits van­uit zijn uitkijkpost een drietonner komen aanrijden. "Ik stond op de bun­ker en dat weggetje was helemaal kaal, dus ik kon het heel goed zien. Ik zwaaide, maar eerst reageerde hij nau­welijks. Toen heb ik mijn baret afgedaan zodat hij kon zien dat ik het was. Toen hing-ie helemaal uit de auto en zwaaide enthousiast terug, dus ik ging ervan uit dat hij wist hoe het gegaan was." In dezelfde nacht voorafgaand aan het ongeluk heeft ook Van Beek nacht­dienst. Op een luisterpost nabij de kust. Als de aflossing het overgenomen heeft, loopt hij tegen zeven uur 's ochtends met zijn twee maten Sjors en Helmut vanaf de kustweg naar hun post. Als de drietonner met De Koning als bijrijder aan komt rijden, bedenken zij zich geen moment. De post is nog geen halve kilometer verder, maar toch, een lift is nooit weg. Het drietal klimt over de laadbak in het voertuig. Van Beek: "We reden daar over de weg en hoorden plotseling een droge knal. De eerste reactie van de chauffeur naar achter was: `We worden beschoten!' Ik ben eruit gesprongen en onmiddellijk rechts het veld ingedoken." Enkele honderden meters verderop hoort ook Roy Smits de explosie. "Ik vermoedde gelijk wat er aan de hand was. Ik zei tegen mijn maat waar ik mee op wacht stond: `Wek nog niemand, ik ga eerst kijken wat er aan de hand is.' Dus ik ben gegaan, ik rende als een gek richting post 7-19."

 

Flarden

Ondertussen ontdekt Van Beek dat er geen sprake is van een vijandelijke beschieting. "Ik lag languit op mijn snufferd en hoorde om hulp roepen. Dus ik ben weer opgestaan en naar de drietonner gelopen. De

bijrijder zag ik niet meer, maar Sjors was wel in de weer met de chauffeur. Dus ik ben naar de andere kant gelopen om te helpen. Op dat moment trok Sjors de chauffeur eruit en riep om water, want dat ding stond in brand. Met onze veldflessen hebben we geprobeerd de motor te blussen, dat speelde zich allemaal razendsnel af. Ondertussen had ik ook een blik over de laadbak geworpen, daar lag De Koning, het was duidelijk dat hij al overleden was." De drie Dutchbatters helpen de chauffeur naar hun kamp. "Daar zijn we in alle hectiek en boos­heid bij de anderen terechtgekomen. Er is flink gescholden en dat was het. Het bergen van het lijk en het voertuig, daar heb ik niets van meegekregen. Het was in een paar minuten voorbij." Roy Smits herinnert zich het tafereel dat hij aantrof alleen nog maar in flar­den."Ik geloof dat ik in mijn hoofd totaal geblokkeerd ben voor gruwelijke beelden. Dus ik heb voor zover ik me herinner over de laadbak gekeken en een bruine massa gezien. Ik kon de link leggen tussen legergroen en bloed dat in combinatie bruin wordt. Ik zag een schoen hangen en - heel vreemd - ik moest aan Asterix en Obelix denken, dat ze in dat stripverhaal die Romeinen altijd uit hun schoenen slaan. Vervol­gens ben ik snel teruggekeerd om alles te melden. Mijn sergeant begon onmiddellijk iets te zoeken. Ik dacht zijn wapen, want je mocht nooit zonder dat ding vertrekken van de post, maar het bleek zijn fototoestel te zijn. Ik heb later van anderen gehoord dat ik hem helemaal verrot heb gescholden, maar daar kan ik me niks van herinneren. Na terugkeer op de post kan ik me verder niets meer herinneren."

 

Papieren zak

Mede aan de hand van foto's die kort na het ongeluk zijn gemaakt, kan Van Beek het hele ongeluk wel reconstrueren. Daardoor beseft hij ook hoeveel geluk hij en de anderen op de drietonner heb­ben gehad. Op de foto's is duidelijk zichtbaar dat er nog een tweede mijn op de weg lag. "Precies aan de rechterkant waar ik zat. Maar nu was er in die achterbak niet veel gebeurd, hij is ook - dat kun je op de foto zien - gewoon intact. De Koning heeft als bijrijder de volle laag gekregen en is gewoon omhoog geblazen en achterover in zijn stoel in de laadbak terechtgekomen." Dat beide mijnen `verpakt' waren in een papieren zak, bezorgde een van zijn col­lega's jaren later als buschauffeur nog grote problemen, weet Van Beek. De Libanonveteraan durfde niet meer over papieren of pastic zakken op straat te rijden. Van Beek zelf kon lange tijd goed met het ongeluk omgaan. "Het was niet zo dat het ons gezin beheerste, maar er werd wel geregeld over gesproken. Was er een incident in bijvoorbeeld Irak, dan kwamen er wel vragen of was ik er zelf mee bezig. Dan moest ik toch even mijn verhaal kwijt." Net als Van Beek bleef Roy Smits na terugkeer uit Libanon van nazorg ver­stoken en die was in zijn geval heel hard nodig. Smits: "Ik vertoonde al meteen vreemd gedrag, weet ik nu. Ik vertelde de meest gruwelijke verhalen, zonder dat ik er erg in had. En er is nie­mand geweest die gezegd heeft: `Hé waar heb je het over, wat is er gebeurd?' Dat heb ik twee jaar aan één stuk volge­houden totdat ik dacht dat mensen moe van mij werden en dachten: daar heb je hem weer met zijn Libanon. Toen besloot ik het er nooit meer over te hebben."

 

PTSS

Maar de gebeurtenissen in Libanon lie­ten Smits niet meer los. Hij begon te slaapwandelen, trok zijn legerkloffie aan en waande zich dan weer terug op post 7-1-A. Eind jaren tachtig ging het echt fout en kwam hij in aanraking met de politie. Toen eenmaal de link met Libanon gelegd was, begon een lange tocht langs hulpinstellingen die dankzij de Bond van Nederlandse Militaire Oor­logs- en Dienstslachtoffers (BNMO) eindigde bij de psycholoog die hem eer­der, toen hij bij Defensie aanklopte, goed geholpen had. "Hij bleek inmiddels een privé-kliniek te hebben in Nijmegen. Door zijn behandeling kreeg ik ineens antwoorden en dat heeft me zo geholpen. Binnen een half jaar maakte ik heel veel progressie." Bij Smits is een posttraumatisch stressstoornis (PTSS) vastgesteld, waar hij zijn leven lang niet meer vanaf zal komen, maar hij heeft wel geleerd met zijn problemen om te gaan. Voor Van Beek kwamen eigenlijk pas in het voorjaar van 2004 problemen aan de oppervlakte. Aanleiding was een reunie van Libanongangers waar hij tot zijn verbazing iemand anders zijn verhaal hoorde vertellen. Zijn echtgenote Ger­rie: Het is in ons gezin die zomer erg hectisch geweest, doordat hij er niet van kon slapen en er zo mee bezig was. Overdag was hij vermoeid en chagrijnig. Hij begon de kinderen af te snauwen." Van Beek: "Ik begon me ineens af te vra­gen wat er gebeurd was als we niet op die drietonner waren gesprongen. Dat hij dan misschien niet over die mijn was gereden." De Libanonveteraan besloot met een maatschappelijk werkster van het Veteraneninstituut te gaan praten en dat hielp. Gerrie: "Daardoor kon hij het ook weer naast zich neerleggen. Maar ons gezin heeft dat hele proces wel mee­gemaakt. Toen ik vorig jaar november die folder zag over de `weerzien met Libanon'-reis dacht ik: dit is onze kans! Temeer daar er begeleiding vanuit het Veteraneninstituut was geregeld. Alleen had ik het niet aangedurfd." Hun vier kinderen bleken mee te willen. Van Beek: "We hebben ze niet alleen meege­nomen vanwege mijn verhaal. Maar ook omdat het nu nog kon in hun school­situatie. Bovendien wilden we hen ook iets van een andere cultuur laten zien."

 

Moeder

Roy Smits was inmiddels door Chris Laarhoven, Libanonveteraan en initia­tiefnemer van de reis, gevraagd om mee te helpen met de organisatie. Aanvan­kelijk voelde Smits er niets voor, hij was al eerder teruggeweest. "Ik kreeg alleen maar weer negatieve gevoelens over het land en zijn inwoners. Ik haatte ze echt, alle nare ervaringen van UNIFIL kwa­men weer terug." Toch liet de getrauma­tiseerde veteraan zich overreden en hij besloot zelfs om weer mee te gaan. Langzaam was bij hem het plan gerijpt om te proberen ook iets voor zichzelf af te sluiten. Tot zijn verrassing vroeg zijn moeder, met wie hij na een jarenlange breuk weer contact had, of zij mee mocht. "Ik kom uit een gezin waar vroe­ger nooit over gevoelens werd gepraat. Dat zij dat nu aandurfde, dat is al zo'n grote stap. Ik voelde me gevleid. Zij had de intentie getoond om mijn verhaal aan te horen. En dat heb ik kunnen doen op de plek waar het zich afspeelde, dat is heel bijzonder. Ik voel nu dat wij heel goed contact hebben." Hoewel de terugkeer naar de plek waar hij zijn trauma heeft opgelopen de nodige emoties bij hem heeft losge­maakt, noemt hij het zelf `de mooiste dag' van de reis. Maar ook de rest van de dagen maakte veel bij hem los. "Dat is heel bijzonder voor mij. Want ik haatte die minaretten, die legden alle­maal linken met mijn ellendige verle­den. Nu heb ik me er voor opengesteld en zie ik hoe blij iedereen reageert op Libanonveteranen. Daar heb ik nooit iets van meegekregen. Al die dorpen waar ze nog Nederlandse woorden ken­nen en je gastvrij onthalen. Dat heeft me diep geraakt." Smits betrapte zich er zelfs op dat hij warme gevoelens voor het land is gaan koesteren. "Op een gegeven moment waren we ergens waar gebeden klonken vanuit een minaret. Ik ben onder die speaker gaan staan en keek uit over een vredig dorp. Ik zei tegen Chris: `Ik wens één ding: laat het hier nou eindelijk eens een keer vrede blijven'. Terwijl ik vroeger zei: `Een B-52 eroverheen en ieder­een heeft er weer een stuk strand bij.' Dat meende ik echt uit de grond van mijn hart. En dat is nu veranderd."

Spreekbeurten

Ook zijn maatschappelijk werkster vond dat Willem van Beek met de reis een mindere periode goed zou kunnen afsluiten. Van Beek: "En ik wilde hoe dan ook die weg lopen die de drietonner had afgelegd voor het ongeluk. Ik heb gera­teld tegen mijn gezin vanaf het moment dat ik de weg opging, totdat ik terug was bij het bloemstuk. Toen kwam de emo­tie, maar met mijn gezin erbij heeft me dat goed gedaan. Vooral ook omdat zij nu hebben gezien waar het zich allemaal heeft afgespeeld." Gerrie: "Het heeft veel emoties gekost, maar het was het meer dan waard. In het gezin was het verhaal natuurlijk al bekend, hij heeft ook altijd slapeloze nachten rond die datum. Maar nu zegt dat veel meer, ook voor de kin­deren. Ze hebben er al heel wat spreek­beurten aan gewijd op school." Hoewel hij wist dat de Libanese bevol­king goed te spreken was over het werk van Dutchbatt, was ook Van Beek verrast door de overweldigende ontvangst die de veteranen op veel plekken ten deel viel. Het reizen in gezelschap van collega­veteranen is hem prima bevallen. "Het is echt een groep geworden in die week en niet 26 losse individuen. En je wordt opgevangen, je kunt je verhaal kwijt. Dat vind ik het mooie aan deze reis." Ook Roy Smits kijkt positief terug op zijn ervaring. Niet alleen heeft hij zich verzoend met zijn moeder, maar ook met zijn verleden. "Ik heb tegen Chris gezegd: `Mijn leven gaat nu veranderen. Het zal niet anders worden met mijn PTSS, maar het gaat een andere wending krijgen en ik voel dat het een goede wending is.

 

nummer 7 / september 2005

Terug naar boven

Terug naar het overzicht

 
 

 

SiteMap Mail Ons Ga naar de StartPagina Veteraneninstituut

Veteraneninstituut