NAMENLIJST UNIFILLERS
CHECKPOINT
VREDESMACHT IN LIBANON
FOTOGALLERIJ
WOORDENLIJST
INCIDENTENLIJST
HISTORIE
KNIPSELKRANT
DOWNLOADS
GASTENBOEK
CREDITS
 
UNIFIL FILMS
UNIFIL LINKS
UNIFIL FORUM
 
Veteraneninstituut Veteraneninstituut
 
SiteMap Mail Ons Ga naar de StartPagina

nummer 2 /maart 2011

'Vrouwen in Libanon'

Het was nog wel een beetje vreemd, maar de heren wenden er snel aan: vrouwelijke militairen die tussen 1979 en 1985 met Dutchbatt naar libanon gingen. Het was slechts een handjevol vrouwen, maar toch hebben zij de toon gezet voor latere missies waar de deelname van vrouwen heel gewoon is geworden. Annelies Wijkmans, Els Matse en Anneke Scholten vertellen hun verhaal.

Door: Anne Salomons
"Ik ben altijd positief de klos", vertelt Annelies Wijkmans (68) lachend. Hiermee doelt zij op de publi­citeit die haar telkens weer ten deel valt. Maar ja, ze was nu eenmaal de eerste vrouwelijke militair die in 1979 met UNIFIL naar libanon ging en dat was en is nog steeds een mijlpaal. Wijkmans had een opleiding in textiel en voeding gevolgd toen een kennis opperde dat ze bij de marine moest gaan werken. Omdat er bij de marine geen voedings­adviseurs werden gevraagd, trad zij in dienst bij de MILVA, de Militaire Vrou­wen Afdeling. "Ik wilde altijd lesgeven, dus ik zag dit als een kans." Vervolgens ging zij naar de koksschool in Leiden en volgde een officiersopleiding in de func­tie van voedingsadviseuse. In de jaren '78-'79 kwam zij als officier toegevoegd terecht bij de Sectie Plannen van het Opleidingscentrum Intendance op de Palmkazerne in Bussum. "Op een dag werd ik daar gebeld en kreeg tot mijn stomme verbazing te horen: 'Jij gaat naar libanon.' Ik wist helemaal niet of ze daar wel vrouwen wilden." Op 10 maart 1979 vertrok zij vanaf Schiphol naar libanon, waar zij gedurende negen maanden als voedingsadviseuse deel uit­maakte van de UNIFIL-staf in Naqoura, in het uiterste zuiden van libanon.

Zij dachten dat we in Naqoura leefden als God in Frankrijk'

Voeding

Wijkmans moest zorgen voor de voeding van alle UNIFIL-detachementen. Niet bepaald een makkelijke klus. "Wij kochten aardappelen, groente en fruit in Israël en libanon, de houdbare dingen kwamen van Cyprus", aldus Wijkmans. Maar het ging niet altijd van een leien dakje. Zo hadden ze bijvoorbeeld een gigantisch overschot aan blikken maïs. "Dat was zoveel, daar konden we alle wegen mee plaveien. En lamsvlees had­den we ook veel te veel, temeer omdat de Nederlanders dat niet graag aten. Dat ging naar de vluchtelingenkampen." Uiteraard moest Wijkmans ook reke­ning houden met de specifieke wensen van de verschillende detachementen. Voor de Nepalezen werd er verse vis aangesleept en de Hollanders wilden Indische kruiden voor de nasi. Des­ondanks werd er door de Unifillers heel wat afgeklaagd over het eten. "Ze wilden ook zomers verse melk, maar dat was er dan natuurlijk niet. En soms konden we niet anders dan groente uit blik verstrekken." Er werden door het hoofdkwartier ook mensen van de plaatselijke bevolking als kok in dienst genomen die van toeten nog blazen wisten. Soms leidde dat tot uiterst verwarrende culinaire taferelen. Wijkmans sliep in het Zweedse hospi­taal op het terrein van het hoofdkwar­tier en ging regelmatig het veld in en de posten af. Soms keek men er wel even van op dat ze een vrouw is, maar pro­blemen heeft Wijkmans hierdoor nooit ondervonden. "Ik ben altijd correct behandeld en ook nooit tegengewerkt. Ik heb er zelfs voordeel van gehad. Ik kreeg toch meer respect van de lokale bevolking en de kindjes kwamen me allemaal een hand geven."

Mortiergranaat
In 1980 ging Wijkmans, weer als tij­delijk majoor, nogmaals naar libanon, maar nu voor zeven maanden. 'rus ze me vandaag zouden vragen, zou ik zo weer naar libanon gaan", reageert zij opgetogen. Al met al beeft ze er een heel goede tijd gehad. Niet dat er niets voorviel; een keer kon zij zelfs ternau­wernood het vege lijf redden toen een ' mortiergranaat vlak naast de bunker ontplofte waar zij zojuist dekking had gezocht. Verder was het ook vaak onrus­tig in het gebied waar de mannen van majoor Hadad en de Palestijnen elkaar regelmatig bestookten. "Ze dachten dat we in Naqoura leefden als God in Frank­rijk, maar zo was het daar echt niet."

Na terugkeer uit Libanon werd Annelies Wijkmans compagniescommandant, later zat zij bij de landmachtstaf personeelszaken en uiteindelijk diende zij als vertrouwenspersoon van de landmacht en de marechaussee.
In 1997 ging zij met functioneel leef tijds­ontslag.


Toen de Limburgse Els Matse (64) na een afgebroken opleiding voor verpleegkundige in 1964 in dienst ging bij de MILVA, had dit nog heel wat voeten in de aarde. Het leger in gaan, dat deed je niet, was toen de heersende gedachte. Matse: "Het was ook heel ongebruikelijk in zo'n klein dorpje in Limburg. Dan moest je ver weg en daar zijn die Limburgers niet van." Hoewel haar vader er aanvankelijk ook op tegen was, trok zij zich hier niets van aan en begon gewoon met de basistraining in het Prinses Juliana­kamp in Kijkduin. De eerste paar jaar werkte zij als telexiste. Toen die functie werd opgeheven, werkte ze als admi­nistratieve kracht op personeelszaken en volgde de onderofficiersopleiding. Later kreeg zij als sergeant Ie klas een administratieve taak op het NATO­hoofdkwartier in Brunssum, waar de voertaal Engels was. "Het was dus een Engelstalige job, mede daarom werd mij op een gegeven moment gevraagd of ik een half jaar naar Libanon wilde voor een administratieve functie op het hoofdkwartier in Naqoura. De Neder­landse kolonel Chief Operation Officer, tevens ontingentscommandant, had een toegevoegd sergeant nodig en die functie was ook Engelstalig." In novem­ber 1980 vloog zij met een charter van Transavia naar Libanon.

'Dat ik vrouw ben? Daar werd geen aandacht aan besteed'

Ongelukken

In Naqoura regelde Matse alles wat met Nederlandse belangen te maken had. Zo moest zij onder meer het bezoek van Kamerdelegaties en de minister van Defensie voorbereiden en gewonde Nederlandse militairen in het Zweedse veldhospitaal opzoeken. "Het waren vooral slachtoffers van ongelukken; een jongen had vreselijke brandwon­den opgelopen. In mijn tijd is ook een jongen overleden die uit een paal was gevallen. Ik regelde voor de gewonden schone kleding, bracht ze lectuur en soms kreeg ik voor elkaar dat ze naar huis konden bellen." Matse woonde in een stacaravan op het terrein van het Zweedse hospi­taal. Eerst deelde ze de caravan met een andere Nederlandse vrouwelijke collega, kapitein Lutgendorff, later bivakkeerde zij daar alleen. Op het terrein waren ook veel andere vrouwen werkzaam, dus ze viel er absoluut niet uit de toon. "Ik ben met een helikopter van de Italianen nog over het gebied gevlogen naar verschillende UNIFIL- bataljons. Omdat ik in de helikopter in uniform was en oorbeschermers droeg, viel het ze op de posten niet eens op dat ik een vrouw ben. Verder werd er ook helemaal geen aandacht aan besteed.
De lokale bevolking voelde zich zelfs vereerd; op de weg naar Naqoura waren veel kraampjes en winkels waar jonge­tjes en meisjes altijd met mij op de foto wilden."

Palestijnen
Matse heeft weinig slechte herinne­ringen aan haar Libanontijd, behalve aan Kerstmis 1980 toen Palestijnse strijders het UNIFIL-gebied waren bin­nengedrongen en door Israëli's gedood werden om vervolgens in een ravijn voor oud vuil te worden achtergelaten. Matse: "De Zweden probeerden hun lichamen nog te bergen, maar de Isra­eli's wilden dat voorkomen en schoten op die Zweden. Ik herinner me ook
dat een Nederlandse soldaat foto's had gemaakt van de lijken in het ravijn, maar dat-ie zijn filmrolletje bij Defensie moest inleveren. Daar is volgens mij nooit meer wat van teruggezien."

Terug in Nederland heeft Els Matse zich omgeschoold tot compagniesadministrateur en is in die functie als sergeant-majoor vijf jaar naar Seedorf geweest. Later werd zij adjudant op interne controle in Utrecht en Ede, op SS-jarige leeftijd ging zij met functioneelleeftijdsontslag.


"Vanaf mijn vroegste jeug zat ik bij scouting en ik hou van organiseren, van leiding geven en werken met mensen", verklaart, Anneke Scholten (73) haar motivatie om zich in 1965 bij de MILVA aan te sluiten. "Bovendien kon ik bij Defensie diverse functies bekleden zonder van werkgever te veranderen." Net als de vader van Matse was ook de vader van Scholten hier fel op tegen. "Hij vond het maar niks. En ik moet bekennen, na mijn diensttijd heb ik er niet direct met anderen over gepraat dat ik bij Defensie had gewerkt, dan had men daar toch al gauw andere ideeën over."
Haar eerste functie bij de MILVA was toegevoegd S3 en welzijnszorgofficier, de laatste hield in dat ze feestjes en bij­eenkomsten moest organiseren. Omdat er sprake was van opheffing van de MILVA koos ze voor een studie aan de sociale academie om maatschappelijk werker te worden bij de Militaire Soci­ale Dienst. Ze werkte toen in het Mili­tair Hospitaal in Utrecht tot ze de kans kreeg om naar Libanon te gaan. "Ik heb me er zelf voor aangemeld, het leek me een uitdaging", benadrukt Scholten. "Maar de vier maanden die aan liba­non voorafgingen, waren erg moeilijk. Iedereen zei: 'Een vrouw naar Libanon, dat kan niet.' Ze zagen het absoluut niet zitten. Dan kwamen ze met flauwe voorbeelden als dat de badkamers geen gordijntjes hadden. En officieren liepen af en aan naar de generaal met de boodschap: 'Die mevrouw Scholten, die moet u niet laten gaan.' Toen begon ik toch wat te twijfelen en heb bij de verantwoor­delijke generaal mijn opwachting gemaakt. Die generaal zei: 'Van mij mag u gaan, als ik maar niet na een maand een brief krijg dat u terug wilt.' En zo kwam ik als enige vrouw bij een bataljon van acht­honderd man."

Mannenuniform

'Even voelen of je echt een ,vrouw bent

Scholten was 37 toen zij in september 1980 als maatschappelijk werker naar Haris in Libanon ging. Niet zo heel piep­jong meer dus. "Dat was ook wel een voor­deel, je moet niet zo'n jong hittepetit je sturen. Dat is niet zo handig." In Haris werd Scholten in een huis geplaatst met onder anderen een welzijnszorgofficier, een dominee, een aalmoezenier en eer sportonderofficier. En dat ging prima. "En ja, ik heb als ik ging douchen steeds een kleedje voor de badkamer gehangen", vertelt zij grinnikend. Scholten bezocht eens in de twee weken alle posten, dan ging zij in kogelvrij vest met helm en pistool op de heup op pad. "Een keer kwam ik op een post waar een jongen stond wiens mond openviel van verbazing. Hij riep: 'Verrek, dat is een vrouw.' Maar ik ben altijd geaccep­teerd. Uiteraard liep ik gewoon in man­nenuniform. Geen probleem. Alleen die knoopgulpen. daar heb ik heel wat mee geworsteld." Scholten werd ook regelmatig uitge­nodigd bij de plaatselijke bevolking. "Eén keer heeft zo'n oud mannetje gedacht: er klopt iets niet. Mijn stem, mijn gestalte. Toen heeft hij maar even gevoeld of ik werkelijk een vrouw ben. Ook bij de vrouwen is me dat wel eens overkomen."
Terugkijkend constateert Scholten enthousiast: "Libanon was de beste tijd van mijn leven. Ik zou zo weer terug willen." Zij verbleef er acht maanden in plaats van de gebruikelijke zes.

Bewijzen
Voor zij naar Libanon ging, volgde Scholten de cursus Voortgezette Mili­taire Vorming om van kapitein naar majoor te worden bevorderd. "Vader Moet Vooruit noemden wij die cursus gekscherend." Scholten was de enige vrouw in haar cursusgroep en ze kreeg les van een docent die de les altijd begon met 'Mijne heren .. .' "Dit ergerde mijn collega's mateloos en ze hebben daarover bij hem geklaagd. De volgende ochtend begon hij zijn les zowaar met 'Mevrouw, mijne heren .. .', maar uitge­rekend die ochtend was ik er niet, ik had me verslapen." Toch vindt Scholten dat ze het als vrouw niet echt moeilijk heeft gehad binnen Defensie. "Maar ik moest me wel meer bewijzen."



Anneke Scholten werd na terugkomst SI op het Verbindings Opleidingscentrum in Ede en daarna op het Commando Verbindingen Koninklijke Landmacht in Den Haag, in de rang van majoor, tot zij in 1992 met functioneelleeftijdsontslag ging. Ze is nog drie keer met vakantie naar Libanon terug­geweest.

nummer 2 /maart 2011

Terug naar boven

Terug naar het overzicht

 

 

SiteMap Mail Ons Ga naar de StartPagina Veteraneninstituut

Veteraneninstituut