Thomas Milo was tolk in Libanon

|
|
nummer 5 / juni 2009 |
Op patrouille met woordenboek en pistool
Voor het contact met de
Libanese bevolking en de
strijdende groeperingen zette
Dutchbatt van 1979 tot 1983
in totaal vijftien Arabisch
sprekende tolken in, van wie
er altijd twee deel uitmaakten
van de bataljonsstaf. Kapitein-tolk Thomas Milo was een
van hen in 1980 en 1983.
Milo: "Met praten losten wijcrises op die normaliter aan
gevechtseenheden worden
overgelaten."
Door: Anne Salomons
Thomas Milo was dertig, had al
diverse dode en levende talen
bestudeerd en hi] was nooit onder de
wapenen geweest toen hij reageerde
op een advertentie voor officier-tolk
Arabisch. "Ik was al aangenomen toen
ik vroeg naar mijn militaire training.
Dat werd eigenlijk niet nodig gevonden.
Uiteindelijk kreeg ik een verkorte officiersopleiding en ik ben naar alle waarschijnlijkheid de enige officier die ooit
op eigen verzoek militair is opgeleid."
En zo stond Milo in 1980 van de ene
op de andere dag in Libanon in het oog
van de storm. Hij was al bekend met de
Arabische wereld, die hij onder meer
als vrachtwagenchauffeur had verkend.
Maar nu werd hij als volledig geintegreerd kapitein-tolk bij de secties 2/3 van Dutchbatt-HQ onder semi-oorlogs
omstandigheden ingezet. Zijn omgangs
Arabisch was het dialect van Egypte,
maar het lokale Libanees pikte hij snel
op. Voor Defensie schreef hij uiteindelijk het handboek Libanees-Arabisch dat
aan iedere Unifiller werd uitgereikt. "Er
waren toch altijd wel slimme jongens
bij die echt Arabisch wilden leren."
Informatie
De tolken zaten in Haris op de bataljonscommandopost. "We hadden in het
dorp een paar huizen van de bevolking
gekraakt. De bewoners mochten er pas
in terug als wij uit Libanon vertrokken.
Zo gaat dat in een oorlog." Op de commandopost stond altijd een tolk stand
by en de ander was steevast op 'vrije
patrouille'. "Dan ging je in een jeep op
pad en liet het maar gebeuren. Er waren
altijd wel Libanezen die iets wilden vragen of gewoon een praatje wilden
maken. Om informatie in te winnen
bezocht ik meestal een stamhoofd of
een dorpsonderwijzer. Een van die
dorpsonderwijzers, een echte patriot
die ons altijd geholpen heeft, hebben
we onlangs nog uit Libanon moeten
evacueren omdat de Hezbollah hem
opeens na al die jaren als collaborateur
bestempelde. Vanwege het toenmalige
beleid van Rita Verdonk kreeg hij in
Nederland geen asiel. Te genant voor
woorden."
De takenlijst voor de tolken in Libanon
was schier oneindig. Zo werd er onder
meer van hen gevraagd om contacten te
leggen en te onderhouden in alle dorpen
in het Dutchbatt-gebied, met UNIFIL-
personeel buiten het Dutchbatt-gebied
en met het Libanese leger. Tevens
moesten zij alle politieke gebeurtenissen in binnen- en buitenland bijhouden, steun verlenen aan humanitair werk
en, niet onbelangrijk, een kaartsysteem
aanleggen. Dit gedetailleerde inlichtingenarchief werd echter meteen na de
Israelische inval in 1982 door een van
de tolken, Theo van Oss, vernietigd.
Milo: "Hij had de moed en helderheid
om alles in de fik te steken, om te voorkomen dat onbevoegden, in dit geval
Israeli's, die gevoelige informatie in
handen zouden krijgen. Dit had tot een
totaal geheugenverlies van het bataljon
geleid als wij niet veel van het archief
uit ons hoofd kenden. De kleine pool
van roterende tolken was het geheugen
van het bataljon."
Bomgordel
De meeste Dutchbatters hadden geen
idee waar ze terecht waren gekomen."Voor onze jongens was dienstplicht
een spannende zogenoemde rite de passage aan het begin van hun levensloop.
Anders dan luidruchtige muziek, had
den ze nog nooit echt geweld meegemaakt", aldus Milo. "Als ik de kans
kreeg, legde ik ze uit dat die Palestijnse
jongetjes van 16 of 17, de infiltranten
die ze bij hun kansloze acties tegen
Israel moesten tegenhouden, juist aan
het einde van hun levenscyclus stonden. Ze hadden als kind al meegemaakt
hoe hun familie in vluchtelingenkampen door Israeli's bij raids, door Jordaniers tijdens Zwarte September of
door Libanezen bij Tell Zaatar werden
uitgemoord. Ze deinsden nergens voor
terug. Zij droegen zelfs bomgordels om
te voorkomen dat ze krijgsgevangen
zouden worden gemaakt."
Dat je met een - vermeende - bomgordel de PLO zelf ook nog flink op de
kast kon krijgen, heeft Milo persoonlijk
ervaren tijdens een wekelijkse liaisonbespreking op hun eigen
hoofdkwartier."Samen met majoor Knetsch kwam ik
de vergaderzaal binnen waar ze ons
enorm vijandig ontvingen. 'Jullie hebben
onze posten bestookt met een moedie'a,
schreeuwden ze woest. Omdat ik zo
gauw niet wist wat dat woord bete
kende, greep ik naar mijn patroontas
met mijn woordenboek. Bij dat gebaar
vloog iedereen de zaal uit. Binnen twee
seconden waren alle ramen en de deur
verbrijzeld en was de vergaderzaal leeg.
Enigszins verrast zocht ik het woord
op. Moedie'a betekent lichtgranaat.
Aha. Ze waren dus zo agressief omdat
we hun posten met lichtgranaten hadden aangelicht. Ik riep iets en enigszins
beschaamd kwamen ze weer binnen.
Het was duidelijk dat ze het zekere voor
het onzekere hadden genomen en ervan
uitgingen dat ik, net als zij, een bomgordel droeg en met de greep naar mijn
patroontas de boel had willen opblazen. Voor een officier was het tamelijk ongebruikelijk om met zo'n enorme
patroontas aan je koppel te lopen. Twee
jaar later heeft de Israelische luchtmacht overigens gedaan wat ze dachten
dat ik kwam doen: hun hoofdkwartier
opblazen."
Hinderlaag
Naast deze wekelijkse gesprekken met
de PLO en ook met de Israeli's werd
Milo ingezet bij het bezoek van Kamerleden, generaals en, om apengeklet-
ter te voorkomen, ging hij ook mee op
patrouilles, bijvoorbeeld dwars door de IJzeren Driehoek, een zone in UNIFIL-
gebied die in handen was van de
PLO. Hij was erbij toen een van deze
patrouilles in een hinderlaag liep. "We
reden een bocht om en daar keken we
recht in de loop van een antitankwapen.
Terwijl we gedwongen uitstapten,
schoten ze heftig, maar gericht mis:
rakelings langs onze schoenen. Met
hun schoten dreven ze ons van de weg,
mogelijk een mijnenveld in. We bleven
ondanks de intimidaties op het asfalt.
Wij dachten: als ze ons een mijnenveld
injagen, dan roeien ze ons uit zonder
dat er bewijzen van zijn. Ze moeten
later niet kunnen beweren dat we zelf
van de weg waren gestapt om te picknicken. We hadden kapitein-arts Van
Roosendaal bij ons die voor de eerste
keer mee was op zo'n patrouille. Met
zijn pistoolkoord trok een terrorist hem
bij het ontwapenen onbedoeld de baret
van het hoofd. Hij raakte hierdoor in
paniek, alsof zijn blauwe hoofddeksel
hem internationale onschendbaarheid
had gegeven. Ik heb toen in het Arabisch geroepen: 'Stop met schieten, ik moet die baret oprapen.' Ze stopten
zowaar, zodat ik hem de baret weer
op het hoofd kon ze:ten. Uiteindelijk
hebben we alles - radio's scherfvesten,
helmen en de jeeps - achter moeten
laten en zijn we te voet door het veld in
de voetsporen van luitenant Aerts, die
moedig voorop ging, naar onze eigen
posities teruggelopen. We hebben toen
wel van de unieke gelegenheid gebruik
gemaakt om te verkennen vanaf welk
punt onze eigen waarnemers infiltranten konden zien aankomen. Dat was pas
bij de ammunitiebunker. Kijk, op die
manier hadden we aan die confrontatie
toch een mooie draai weten te geven.
Zinvol geweld! De communicatieapparatuur vverd later met kogels doorzeefd
teruggevonden en de jeeps waren opgeblazen met RPG-granaten."
Islamdebat
In 1983 was Milo een van de zes avontuurlijke Dutchbatters die in drie open
Nekaf-jeeps met een maximumsnelheid
van 75 kilometer per uur de ruim 5.000
kilometer van Libanon naar huis reden.
In Nederland merkte hij tot zijn verbazing dat niemand geinteresseerd was in zijn Libanonervaring. Behalve uitgerekend Rob Stolk, een van de roemruchte
Provo's, die hem voor de Tand des
Tijdsch. historisch tijdschrift dat verschijnt
als het uitkomt, interviewde. "De abrupte
terugkeer van een gewelddadige chaos
naar de verzorgingspolder gaat gepaard
met decompressieverschijnselen, gees-
telijke caissonziekte. En ik had decompressie nodig. Die gesprekken met
Stolk, zoon van een hevig getraumatiseerde Grebbelinieveteraan, hebben
daarbij geholpen."
Nu, bijna dertig jaar later, is Milo niet
alleen een vooraanstaand Arabist en
publicist, hij is tevens de directeur
van DecoType, een bedrijf dat voor het
Arabisch fundamentele bijdragen aan
de computerindustrie heeft geleverd.
Ook geeft hij lezingen over de gehele
wereld en mengt zich in het islamdebat.
Onlangs publiceerde hij samen met
collega-Libanontolk Eildert Mulder het
boek De omstreden bronncn van de islam
(ISBN 9789021142104), waarin het
klakkeloos overnemen van het orthodoxe verhaal over het ontstaan van de
Koran en de islam tegen het licht wordt
gehouden.Milo is nooit meer naar Libanon terug
geweest. "Het land was de hel op aarde.
Het was diep verscheurd, iedereen vermoordde iedereen, met zelfs buren die
stiekem handgranaten onder elkaars
auto legden of elkaar op afstand lieten
Iiquideren door middel van tips aan
terreurcheckpoints langs de kustweg.
Nog steeds werkt niemand serieus aan
de oplossing van het conflict: alle
partijen rechtvaardigen zich met
psychopathisch heiligeboek-fetisjisme.
Dat is het probleem. Met alle respect."
Samen met 8.000 andere Unifillers
ontving Milo niet alleen de Wateler
Vredesprijs 1985 (een Nederlandse
prijs voor personen of instellingen
die een bijzondere prestatie hebben
geleverd voor de bevordering van
vrede door middel van woord, daad
of geschrift), maar in december 1988
werd ook de Nobelprijs voor de Vrede
toegekend aan alle tot dan toe onder
VN-vlag uitgezonden militairen. "Dat
is bij het grote publiek helemaal niet
bekend", zo benadrukt Milo lichtelijk
verontwaardigd. "Het is toch een van
de meest eervolle onderscheidingen
die je kunt krijgen."

|
|
nummer 5 / juni 2009 |
Terug naar boven
Terug naar het
overzicht