UNIFIL-veteraan Willem Erfmann over Dutch Infantery Coy 1 in Libanon

|
|
nummer 5 / juni 2009 |
"Een miljoen in kas"
In 1962 werd Willem Erfmann,
tijdens de opleiding voor
een derde uitzending naar
Suriname, afgekeurd voor de
infanterie. Hij was schietdoof.
De teleurgestelde infanterist
veranderde van dienstvak
en werd administrateur. Het
onbekende bleef trekken en
als sergeant-majoor administrate ging hij in 1970, nu
met zijn gezin, voor een derde
keer naar Suriname. Daarna
ging hij als adjudant militaire
administratie naar Libanon
(1980) en de Sinai (1982 en
1987). Zijn uitzending in 1983
naar Libanon met Dutchcoy 1
was echter het hoogtepunt.
Door: Klazien van Brandwijk
Toen adjudant Willem Erfmann
(75) op een vrijdagmiddag
begin oktober 1983 de boeken van de
CADI (Kantinedienst) in de Harskamp
controleerde, werd hij om twaalf uur
gebeld met de vraag of hij als zelfstandig
administrateur met een zelfstandige,
nog op te richten compagnie naar Libanon wilde. Hij kreeg bedenktijd tot vijf
uur. "Ik heb wat meer tijd genomen.
's Avonds om acht uur heb ik kolonel
Van Heutigem gebeld en gezegd dat ik
mee wilde."
Goede start
Omdat UNIFIL, na de Israelische inval
in 1982 in Libanon, zijn taken niet meer
naar behoren kon uitvoeren, besloot de
ministerraad op 20 juni 1983 de Nederlandse bijdrage aan deze missie per19 oktober 1983 te beeindigen. Onder
zware druk van de Verenigde Naties
(VN) kwam de ministerraad terug op
zijn beslissing. De Nederlandse regering
besloot dat er vooralsnog een compagnie
als zelfstandig opererende eenheid in
Libanon actief zou blijven. Inderhaast
moest in Assen weer een opleiding worden gestart. Militairen die inmiddels
elders waren geplaatst, werden teruggeroepen en er moest een staf worden
gevormd. Erfmann werd als hoofd administratie aan de staf toegevoegd. Zijn
nieuwe commandant, majoor Tummers,
kende hi] vanuit Suriname. "Het klikte
vanaf het eerste moment. Een man met
oog voor zijn mensen." Op zijn vijftigste verjaardag werd de adjudant verrast.
Voor het front van de nieuwe compagnie
kreeg hij een Abraham uitgereikt. "Het
was duidelijk: in deze compagnie werd
aandacht besteed aan het personeel. Het
was een goede start en ik zag ernaar uit
naar Libanon te vertrekken", aldus de
voormalige administrateur.
De troep moest in Assen aantreden op
10 november om half twee 's nachts.
Na een afscheidsceremonie op Schiphol
vloog men met Martinair naar Tel Aviv.
"We hadden er dus al een paar uurtjes
op zitten, maar de extreem strenge
controle in Israel maakte dat we pas
's avonds in Libanon arriveerden. Met
een groep van 35 man bleven we op
post 7.4. De infanteriepelotons vertrokken naar hun gebied. Post 7.4 was
berekend op 35 man en het was passen
en meten om de nieuwkomers onder te
brengen. We hadden een onafgebouwd
pand met dichtgemetselde ramen en
kogelgaten. Achter de administratie
was een klein kamertje en dat deelde ik
met sergeant-majoor Noorddam. Op de
bovenverdieping had dominee Fokkema
een kamer."
Noodweer
Al snel bleek dat de C-compagnie in
de laatste maanden niet veel tijd aan
onderhoud had besteed. De nieuwe
lichting was nog maar nauwelijks geïnstalleerd of er kwam een 72 uur durende
regenbui. "Dramatisch. Er was niets dat
niet lekte. In de prefab van de solda
ten zaten grote gaten. In onze afdeling
stroomde het water vanuit de kamer van
de dominee langs de muren omlaag en liep via een gootje via het kantoor naar
buiten. Zelfs de mensen die er al langer
zaten, wisten niet wat hen overkwam.
In Nederlandse kranten verschenen
berichten met de kop 'Noodweer teistert
nieuwe compagnie'." Vanwege het ontbreken van een geniepeloton werd iedereen op post 7.4 ingezet om de slaap- en
werkruimtes waterdicht en leefbaar te
maken. "De eerste weken hadden we
een zevendaagse werkweek en maakten
we lange dagen. Er was nauwelijks tijd
om te slapen."
Toen het kamp wat op orde was, wilde
dominee Fokkema een kapel inrichten.
Erfmann, die in 1980 in Haris was
gelegerd, herinnerde zich een kapelletje. "Met een 3-tonner gingen we naar
Haris en dachten mee te kunnen nemen wat niet door de Ieren werd gebruikt."
De Ierse marechaussee kreeg er lucht van dat de Nederlanders spullen op een
3-tonner laadden en kwam een kijkje
nemen. "Waar wij mee bezig waren?
Wij hadden daar niets te zoeken en dat
de spullen eerder van Dutchbatt waren
geweest, maakte niets uit. Het hoofdkwartier werd op de hoogte gesteld en
er kwamen een Engelse en Nederlandse
marechaussee bij. Uiteindelijk werd
de zaak gesust en mochten we wel wat
dingen meenemen. Het belangrijkste
was: de dominee had zijn kruis."
Bunkeralarm
Na de Israelische invasie in 1982 in Libanon werd een multinational strijdmacht
van Amerikanen, Fransen, Italianen en
Britten in Beiroet gestationeerd. Na de
aftocht van de Palestijnse strijders van
Yasser Arafat was hun taak volbracht.
Echter, na de moord op de Libanese
president Bashir
Gemayel en de daaropvolgende slachting onder de Palestijnse
burgers in de kampen Sabra en Shatila in
Beiroet, bleef de multinationale macht
om het centrale gezag in Libanon te helpen herstellen. "Ik wist dat er vlak voor
onze komst, op 23 oktober, aanslagen
op Amerikaanse en Franse militairen in
Beiroet waren gepleegd. In de krant las
ik dat een Mercedes vrachtauto door de
barrieres van prikkeldraad en zandzakken
was gereden. Die kwam tot stilstand bij
het hoofdkwartier van de Amerikaanse mariniers en toen werd er een bom met
een kracht van 5400 TNT tot ontploffing
gebracht. Vlak daarna ontplofte er ook een vrachtauto onder het gebouw van de
Franse parachutisten in West-Beiroet.
Er werden die ochtend 241 Amerikaanse mariniers en 58 Franse militairen
gedood. Je weet dus dat het serieus is en
dat je doelwit kunt worden."
Na het vertrek van Dutchbatt nam
Dutchcoy het gebied over dat voorheen
door de C-compagnie was beheerd.
Dutchcoy bemande post 7.22 bij al Mansouri en post 7.4 bij Majdal Zoun."Wij zaten midden in Israelisch gebied
en ook bij ons was het erg onrustig. Er
werden regelmatig aanslagen gepleegd
en er was vaak bunkeralarm, zowel
overdag als 's nachts. Dan ging je in
gevechtstenue slaapdronken naar je
bunker en wachtte maar af." Erfmann
vertelt dat de bunkers, huisjes met
golfplaten, werden verstevigd met zandzakken. "Dat gaf genoeg bescherming
tegen geweervuur. Of het bestand was
tegen mortiergranaten of bommen?
Daar dacht ik maar niet over na."
PTT-stakingen
Door PTT-stakingen in Nederland en
Israel kregen de VN-soldaten in de
eerste maand geen post van thuis. "Als
militair leef je op post, zeker als er geen
andere communicatiemiddelen zijn.
Drie weken geen post is niet goed voor
het moreel. Daarnaast was het zakelijk gezien voor ons op de administratie
buitengewoon lastig."
In Nederland werden alleen rouwkaarten en medische post bezorgd. Het
thuisfront kon een brief afgeven bij de
marechaussee of naar het veldpostkantoor in Utrecht brengen. Toen in Nederland de poststaking was opgeheven,
volgde een staking bij de post in Tel
Aviv. "In Den Haag begreep men dat er
een oplossing gezocht moest worden.
Alle VN-militairen mochten een bericht
van vijftig woorden op papier zetten. Die
berichten werden door de verbindingsdienst aan geadresseerden doorgebeld.
Men had uitgerekend dat er voor de
driehonderd gesprekken vijf en een half
uur nodig was. Toen het zover was dat
de berichten werden voorgelezen, werd
de post weer bezorgd."
Geld
Voor de overdracht was ook de kluis
met inhoud van het bataljon naar post
7.4 overgebracht. Erfmann had in 1980
als plaatsvervangend korpsadministrateur in Haris ontdekt dat het geld
van het bataljon in laden en kasten lag
opgeborgen. "Het lag keurig in stapeltjes. Dollars, Libanese ponden en Hollandse guldens met een totaalwaarde
van een miljoen gulden. Het klopte
allemaal als een bus, maar het leek mij
geen wenselijke situatie. Ik heb toen
de kluis uit het korporaalsverblijf naarmijn kantoor laten overbrengen. Nu
stond diezelfde kluis met het geld van
het bataljon, een miljoen, dus op 7.4."
Omdat de situatie in Beiroet nog steeds
onzeker was, was het onmogelijk met
de auto geld te halen bij de ABN in
Beiroet en Erfmann kwam in februari
in geldnood. Zijn commandant regelde
met het UNIFIL-hoofdkwartier in
Naqoura dat hij geld kon halen. In nauw
overleg met het VN-hoofdkwartier in
Beiroet werd een datum gepland. Erfmann stelde de
ABN per telegram op de
hoogte van zijn komst. "Ik werd begeleid door marechaussee Jan van Malsen.
In Naqoura stonden twee heli's gereed.
We vlogen onder langs de kust naar een
door het Libanese leger vrijgemaakte
plek in een buitenwijk van Beiroet. Het
Libanese leger lag in een rondom verdediging met gevechtswagens en een heli
bleef in de lucht. De ene heli landde en ik moest me in looppas in veiligheid
brengen en werd naar een gebouwtje
gebracht. Materiaal en mensen voor
Naqoura werden snel ingeladen en de
heli ging weer de lucht in. De andere
heli kwam naar beneden en de procedure herhaalde zich."
Erfmann en Van Malsen werden door
een lokale VN-burger opgehaald. "De
man kwam in een Oldsmobile, want
nagenoeg alle VN-voertuigen waren
gehyjackt. Hij bracht ons naar het hotel
waar ook de marechaussee was onder-gebracht." Dezelfde dag ging Erfmann
naar de bank waar hij tijdens zijn eerste
missie verschillende keren was geweest."Daarna gingen we een hamburger eten
bij Wimpy. In de wijk van banken en
mooie winkels had je geen idee dat je in
een stad was waar oorlog woedde. De
volgende dag gingen we weer naar de
bank. Daar zaten verschillende handelaren die hun geld aan de bank leenden,
zodat de bank mij kon uitbetalen."
Het geld, een half miljoen gulden,
werd bij de marechaussee in bewaring
gegeven en Van Malsen en Erfmann
besloten wat in de stad te gaan eten."Na de maaltijd wilden we de stad in,
maar buitengekomen waren we verbijsterd. Het leek Amsterdam in oorlogstijd. Nergens brandde een lamp en om
de 50 meter werden we aangehouden
door een man met een kalasjnikov. De
eerste keer schrik je je een ongeluk. Wij
uitleggen dat we van de VN waren en
onze passen laten zien, maar toch, als je
zo'n wapen op je gericht krijgt... Nadat
we acht of negen keer staande waren
gehouden, hadden we het wel gezien.
Behoorlijk onder de indruk gingen we
terug naar ons hotel." De volgende dag
gingen de mannen met de heli terug
naar Naqoura en van daaruit naar post
7.4. "De commandant wachtte me op
en vroeg hoe het in Beiroet was gegaan.
Ik zei: 'Het doel is bereikt, maar heeft
wel indruk gemaakt.' Daarna ben ik een
borrel gaan drinken."
Medalparade
Ook de daarop volgende maanden van
Dutchcoy 1 waren intensief en soms
was de situatie erg bedreigend. "Naast
beschietingen en aanslagen was ook het
weer onberekenbaar. Door een windhoos raakten we het pas opgebouwde
WZZ-gebouw kwijt. Verder werden
7.4. en 7.22 samengevoegd en zorgden
we voor een nieuwe bar en aanleg van
paden op het kamp. Het was lange tijd
niet duidelijk of we opvolgers zouden
krijgen en als klap op de vuurpijl moest
de medalparade onderbroken worden
vanwege een burenruzie." Tijdens de
medalparade kreeg Erfmann het Rode
Koord uitgereikt. "Dat is, naast mijn
koninklijke onderscheiding, de mooiste
onderscheiding uit mijn hele diensttijd.
Die waardering voor mijn inzet tijdens VN-missies: het Rode Koord."

|
|
nummer 5 / juni 2009 |
Terug naar boven
Terug naar het
overzicht