
|
|
nummer 4 /mei 2010 |
Frank van der ZeI was plaatsvervangend commandant in nadagen UNIFIL
Dutchcoy hekkensluiter in Libanon
Zes jaar lang maakte Dutchbat deel uit van UNIFIL in ZuidLibanon. In oktober 1985 vertrokken de laatste Nederlandse militairen van het Dutch Infantry Coy, kortweg Dutchcoy, uit dit door oorlog verscheurde land, onder wie plaatsvervangend pelotonscommandant sergeant Frank van der ZeI. Hij zag voor zijn vertrek de vertwijfeling bij de lokale bevolking en de strijdende partijen: hoe zou het verder gaan zonder de Nederlanders?
Door: Anne Salomons
• Frank van der ZeI. Foto: Birgit de Roij
De Nederlandse regering besloot om op 19 oktober 1983 de
Nederlandse bijdrage aan United Nations Interim Force in Lebanon (UNIFIL) te beëindigen omdat de strijdmacht na de Israëlische inval van 1982 haar taken niet langer naar behoren kon uitvoeren. Onder zware druk van de Verenigde Naties (VN) besloot Nederland echter alsnog een compagnie, Dutchcoy, in Zuid-Libanon, in het voormalige Charliegebied, te stationeren.
Dutchcoy werd uiteindelijk de hekkensluiter in Libanon. "Pas een paar weken van tevoren hoorden we dat we uit Libanon zouden vertrekken", aldus Frank van der Zei (51). Niet dat het erg veel uitmaakte, want hun boeltje was snel bij elkaar geraapt. Dit in schrille tegenstelling tot de aanstaande verhuizing van de Nederlandse militairen in Afghanistan die maanden in beslag zal nemen en talloze miljoenen gaat kosten. "Wij hebben uit Libanon vrijwel niets mee hoeven nemen. Ja, onze handwapens en de plunjes. De overgebleven munitie hebben we in een wadi opgestapeld en die is ter plekke vernietigd. Dat bleek goedkoper dan het naar Nederland te vervoeren." Nu had Dutchcoy uiteraard het voordeel dat de Dutchbatters bij hun vertrek in 1983 het grootmaterieel al naar Nederland hadden vervoerd. "We waren er niet rouwig om dat die sterk verouderde voertuigen er niet meer waren. Van de VN kregen we veel beter materieel." Nog een meevaller voor de militairen van Dutchcoy was dat ze min of meer in een gespreid bedje kwamen, ze konden zo in de bestaande posten, een paar ingerichte prefabs en enkele oude woonhuizen, trekken. Kennis over de lokale bevolking en de strijdende partijen werd hen door zogenoemde sleutelfunctionarissen haarfijn uit de doeken gedaan. Belangrijk daarbij: wie is wel en wie is niet te vertouwen
Fort Wanhoop
Van der Zel, die van 1979 tot 1996 beroepsmilitair was, had voordat hij
naar Libanon ging als plaatsvervangend pelotonscommandant in Veldhoven dienstplichtige jongens opgeleid, waarbij hij ook keuzes moest maken wie wel
en wie niet meeging naar Libanon. Bij
de baretuitreiking werd hij regelmatig aangeklampt door de ouders van die jongens: "Zorg alstublieft dat mijn zoon heelhuids terugkomt." Vanaf dat moment rustte er een zwaar verantwoordelijkheidsgevoel op de schouders van Van der ZeI. "Maar die afspraak heb ik gelukkig na kunnen komen. Ze zijn allemaal fysiek ongedeerd teruggekomen." Niet dat er geen incidenten waren in Libanon, integendeel. Regelmatig vlogen hen de kogels en granaten om de oren. Na de terugtrekking van Israël in 1985 waren de beschietingen tussen de elkaar bestrijdende partijen en op UNIFILmilitairen heviger geworden. Ze zagen hoe de DFF en de SLA-troepen (zie kader pag. 23) vlakbij zes huizen opbliezen. Ook kwam het regelmatig voor dat het Israëlische leger het gebied binnentrok om vergeldingsacties uit te voeren. "Dan reden ze bij ons door het dorp heen." Van der ZeI sliep en at bij post 7-5, een waarnemingspost van het 2e peloton, gelegen aan de rand van het dorp al]ibbayn. Dit gebied was door het Israelische leger bezet als veiligheidszone voor haar noordelijke grens. De post werd ook wel Fort Wanhoop genoemd. Niet alleen omdat het bovenop een sjiitische begraafplaats lag, maar ook omdat het te midden van de stellingen van de SLA lag. "Als we op het dak van de post zaten, moesten we regelmatig wegduiken voor de kogels die vanuit alle richtingen overvlogen. Ik heb ook wel eens in onderbroek en scherfvest onder de tafel gezeten toen er meer dan vijftig granaten over ons heen kwamen. Maar op een gegeven moment trad een gewenning op omdat ons telkens toch niets overkwam." De eerste keer dat Van der Zei beschoten werd, had hij het niet eens door."Ik zat in de jeep met chauffeur Stef Lamers. we reden door Iers gebied,
toen dat ding een enorm kabaal ging maken. Omdat ik dacht dat de uitlaat
of iets aan de motor kapot was, ben ik eruit gestapt en onder de jeep gekropen en vroeg of Stef een paar keer gas wilde geven. Opeens zag ik de kogels inslaan. Niet de auto was stuk, maar we werden beschoten en ik had het niet eens door, ik had het geluid niet herkend. We zijn toen wel even plat gaan liggen." Een keer heeft Van der ZeI het even flink benauwd gehad toen hij door een jongetje van amper 14 jaar de loop van een kalasjnikov tegen zijn neusgat kreeg geduwd. "Ik had net een brief van mijn vrouw gekregen, waarin ze schreef dat ze zwanger was van ons eerste kind. Dat maakte het extra griezelig, bovendien weet je van die jonge gastjes, van die jonge SLA-strijdertjes, niet hoe ze zullen reageren. Ze weten nog helemaal niet wat ze aan het doen zijn, ze zijn volkomen onvoorspelbaar." Ondertussen was Van der ZeI bekend met het feit dat er onder die jonge strijders ook zelfmoordcommando's rondliepen. Niet altijd uit eigen vrije wil, want als ze door een Nederlandse patrouille onderschept werden, waren ze vaak maar wat blij om hun wapens in te kunnen leveren en springlevend op hun schreden terug te keren.
Wel is Van der ZeI getuige geweest van een 'geslaagde' zelfmoordaanslag op een DFF-post Charlie toen hij bij post 7-1 stond te wachten op de postauto uit Tel Aviv. "Ik zag op zo'n 30 meter afstand een auto passeren en opeens was het 'boem'! Het bleek een aanslag door een Libanese vrouw die in een gestolen en met explosieven geladen auto op de post inreed en daarbij een aantal militieleden doodde.
Bij de kapper op post 7-4. "Hij kende maar één kapsel: tondeusestandje I." Foto: privécollectie Frank van der Zei
Contacten
Uiteraard waren niet alle contacten met de lokale bevolking en de lokale strijders op vijandige leest geschoeid. "We waren er tenslotte voor alle partijen", zo benadrukt Van der ZeI. Eén keer werden vijandigheden zelfs meteen gestaakt toen een 'roverhoofdman' van de SLA, zoals Van der ZeI hem noemt, door de mannen van Dutchcoy geholpen werd wen zijn vrouw moest bevallen. "Zij is wen met spoed naar Naqoura gebracht, waar zij is bevallen. Een paar dagen later zijn we met z'n allen bij hen thuis op kraamvisite geweest. Ging die roverhoofdman onsnog allerlei wapens demonstreren zo van: 'Heb je weleens met een M16 geschoten?' En dan deed-ie het voor. Vanaf die rijd konden we bij al hun SLA-posten door twee keer met de lichten te knipperen en twee keer te toeteren meteen doorrijden. Diezelfde roverhoofdman heeft overigens wel een week voor vertrek uit Libanon post 7-2 overvallen en alle wapens en privéspullen meegenomen."
Zo'n beetje iedere bewoner in de beveiligde zone was bij Dutchcoy bekend. Zo liet Van der Zei zijn was doen door Laila, die bij vele Dutchbatters bekend was. "Haar vader vond het prachtig
als op zijn dak uniformen met strepen wapperden." Boodschappen werden natuurlijk gedaan bij de lokale handelaars en ook de haren werden door
een dorpsbewoner zorgvuldig getrimd. "Die kapper kende maar één kapsel: tondeusestandje 1."
Verder was er een rijdend apotheekje, de Unimog, die twee keer in de week langskwam en waar de bevolking zich kon laten behandelen. "En iedere zaterdagmiddag konden ze bij ons televisiekijken als Middle East Broadcasting het worstelen uitzond. Dan trokken wij een stroomdraadje voor ze naar hun televisie, die op een tafeltje net buiten de slagboom werd neergezet. Het hele dorp liep hier iedere zaterdag voor uit."
Vertrek
Toen duidelijk werd dat de Nederlanders zouden vertrekken, kwamen er steeds meer schietpartijen en gijzelingen, alsof de strijdende partijen nerveuzer werden. De Nederlanders zouden opgevolgd worden door de Nepalese Unifillers en daar had de lokale bevolking toch minder vertrouwen in. "Niet alleen omdat de Nederlanders over
het algemeen goede contacten met
de bevolking onderhielden, maar ook omdat de Nepalezen zwarter waren." Op de dag van vertrek heeft Van der
Zei eerst van een aantal bewoners
zoals Laila en wat strijders van de SLA afscheid genomen en wen was het de plunjebaal inpakken en gaan. "Ik zag toch wat vertwijfeling bij hen, ze waren door ons vertrek erg onzeker over wat ze te wachten stond. Sommigen zag ik langs de kant van de weg staan, maar uitgezwaaid, nee dat werden we nu ook weer niet."
Met z'n allen werden ze eerst teruggebracht naar post 7-4, het hoofdkwartier van Dutchcoy, van waaruit ze na een week bivakkeren vanaf Tel Aviv naar Nederland vlogen. "En daar was het een koude douche. Toen we op Schiphol aankwamen, kregen we een kort praatje van minister De Ruiter en generaal Roos en wen konden we door de schuifdeuren waar onze familie stond te wachten. Dat was alles. Anderhalve week later moest ik me nog even in Veldhoven melden, waar ik meteen een rekening van ft. 3,95 onder mijn neus kreeg geschoven voor twee kwijtgeraakte schoenpoetsborsteltjes. En zo eindigde mijn missie. Nazorg? Ik vind dat we die onvoldoende hebben gehad en dat neem ik Defensie kwalijk. En aandacht voor Dutchcoy is er vrijwel nooit, ook niet in Checkpoint, dat vind ik jammer en onterecht. We zijn een ondergesneeuwde missie."
Een paar jaar na zijn missie kreeg Van der ZeI, net als vele andere Libanongangers, last van psychische klachten. "Ik dacht altijd dat Libanon een gesloten boek was, maar onbewust zocht ik toch een ontlading en die kwam een paar jaar later. Ik heb er nu geen last meer van, maar als mijn zoon zou voorstellen dat-ie in het leger gaat, dan ben ik daar niet blij mee. Ik heb geen spijt, maar terugkijkend zou ik me niet voor Libanon hebben aangemeld. De verantwoordelijkheid voor die jongens is me toch niet in de koude kleren gaan zitten.
En Libanon? Daar ben ik nooit meer teruggeweest. misschien ooit nog een keer. Als ik het zo in de kranten lees, met moordaanslagen op ministers en de oorlog met Israël in 2006, dan is er in al die tijd niet veel veranderd."
Strijd in Zuid-Libanon
In het schier onoverzichtelijk strijdgewoel in Zuid-Libanon mengden zich diverse legers, strijders en milities. Waaronder de Israelian Defense Farce lOF. het Israëlisch leger en de daaraan gelieerde militie De Facta Force DFF. onder leiding van de beruchte majoor Haddad. Na het overlijden van Haddad in 1984 is deze militie zich de SLA gaan noemen, oftewel de Sou th Lebanon Army.
Amal, een islamitische organisatie die streeft naar de emancipatie van de achtergestelde sjiitische bevolking, had een eigen militie die veel aanslagen pleegde met autobommen en bermbommen om weerstand te bieden aan de Israëli's. In dezelfde tijd kwam ook de sjiitische Hezbollahbeweging op, met onder meer zelfmoordcommando's en later ook gijzelingen. Hezbollah is nu een legitieme Libanese politieke partij met aanhangers voornamelijk in het zuiden van Libanon waar het overgrote deel van de bevolking sjiiet is. Daarnaast heeft het nog steeds een gewapende militie ter verdediging tegen Israël, aangezien het uiterst zwakke Libanese leger hier niet toe in staat is. De Palestijnen, om wie het conflict met Israël begonnen was, werden na de inval van Israël in 1982 sterk teruggedrongen, maar er waren nog wel jonge strijders en zelfmoordcommando's die in het gebied probeerden te infiltreren.

|
|
nummer 4 /mei 2010 |
Terug naar boven
Terug naar het
overzicht |